De storm

‘Ga maar,’ zei ik, ‘aan mij heb je niets.’
Ik sprak de woorden uit en probeerde zowel haar als mijzelf te overtuigen en zij deed haar best het te begrijpen, voor ons beiden.
Haar hand reikte naar de mijne en ik keek ernaar. Aarzelend stak ik mijn hand uit en trok deze weer terug en met uitgestoken arm bleef ze me aankijken.
Ik keek naar buiten, weg van haar en in het raam waarachter de storm hevig woedde weerkaatste haar reflectie. Kalm zag ik haar staan, midden in de storm en haar mond bewoog en voorzichtige woorden rolden over haar lippen.
Ik drukte mijn gezicht verder tegen het koude raam en voelde hoe de regen aan de andere kant van het glas kapot sloeg en zij legde haar hand op mijn schouder.
‘Je kunt beter gaan,’ zei ik nogmaals en ze bleef en ik hield van haar.

Theedoekenhuis

De deur gaat niet verder open dan een kier en op borsthoogte steekt een voorhoofd met twee vragende ogen om de hoek.
‘We komen de woning bekijken,’ zeg ik.
Ze antwoordt niet, maar haar ogen schieten een paar keer heen en weer. Van mij naar mijn vader en weer terug naar mij. Ik vraag me af of ze me verstaan heeft.
‘Mogen we even binnenkomen?’
Ze knikt ja, maar duwt dan de deur weer dicht. Ik kijk mijn vader vragend aan, hij haalt zijn schouders op.
Ik sta op het punt opnieuw aan te bellen, als de deur weer open gaat. De kleine vrouw staat half achter de deur en zegt dat we verder mogen komen. Ze draagt een mondkapje en heeft een Spaans accent.
Lees “Theedoekenhuis” verder

Nieta

Het is het voorjaar van 1990. Als jochie van amper twaalf ben ik een barre fietstocht vanuit Alkmaar aan het ondernemen (tegenwind, de hele weg). Met een tasje met wat boterhammen onder de snelbinders ploeter ik samen met de rest van de klas over de dijk naar het noorden. Den Helder is in zicht, daar wacht het veer naar Texel, de eindbestemming voor een weekje schoolkamp.
Aangekomen bij de haven wordt de hele klas naar een strook asfalt gedirigeerd naast het restaurant, waar we niet naar binnen mogen. Hier wachten we tot de veerboot, die zojuist arriveert, leeg is en we aan boord kunnen. Ik heb m’n fiets nog niet op de standaard gezet of ik zie haar. Met een grote glimlach komt ze mijn kant op gesneld. Mijn oma woont in Den Helder en zodra ze hoorde dat ik daar die dag zou zijn, besloot ze mij te komen begroeten. Ze wist niet hoe laat we aan zouden komen en heeft daarom uren staan wachten. Nog voor ik haar goed en wel gedag heb kunnen zeggen heeft ze me stevig in haar armen gesloten.
Lees “Nieta” verder

Familie

Ik zit in de woonkamer. Op de plek die ik voor me zie wanneer ik terugdenk aan mijn opa. Omringd door mensen die ik ken, maar tegelijkertijd ook weer niet. Het voelt vertrouwd, maar toch ben ik een vreemde. Voor hen, niet langer voor mezelf. Als kleine jongen afgesneden van dat deel van mijn leven en er nooit volledig in teruggestapt. Kansen waren er, zo nu en dan, maar werden nooit aangegrepen. De afstand was groot, op elk gebied. Een afstand die vervaagde met een telefoontje. Ze heeft niet lang meer, het einde nadert. Ze is een schim van de vrouw die ik me herinner. Ik besef hoezeer ik haar heb gemist. Hen allemaal, maar het doet er niet meer toe. Van binnen weggevreten door een sluipmoordenaar, haar ogen mat en neergeslagen. Slechts haar tong vuurt nog. Ik wil er zijn voor haar, voor hen, maar vrees hier voornamelijk voor mezelf te zijn. Toen had ze me nodig, wellicht, nu niet meer. Het is bijna voorbij, van de kansen die worden geboden om dingen recht te zetten is er geen een meer over. Ik neem vervroegd afscheid en het doet pijn, veel pijn, maar haar laatste adem is voor de familie. Mijn familie. En ik hoor daar niet meer bij.