Lieve onbekende

Lieve onbekende,

Ik weet niet wie je bent, maar ik moet steeds aan je denken. Jouw maandag moet begonnen zijn als elk ander begin van de week. Je stond op, maakte je gereed en ging op pad. Misschien deed je dat elke maandag volgens een strikte routine. Er was geen moment waarop je dacht dat je ditmaal wellicht een andere tram moest nemen. Of was dat er wel en besloot je het er toch op te wagen, terwijl je hart in je keel sloeg, maar omdat het leven in het groot nu eenmaal niet altijd bereid is rekening te houden met onze levens in het klein Lees “Lieve onbekende” verder

De cactusdief

Ik was niet altijd een cactusdief.

Er waren simpeler tijden. Tijden waarin we ons op de uren van dronkaards en rustelozen op straat begaven, lege straten en parkeerterreinen afstruinden, blikken door ruiten wierpen, ons gereedschap altijd in de aanslag. Er was zelden een nacht dat we niet beet hadden. Om en om hielden Jeremiah en ik de wacht. De een op de hoek van de straat terwijl de ander het slot open priegelde. Twee minuten werk. Max. Een kwart daarvan om binnen te komen, de rest om te pakken waar we voor kwamen. Lees “De cactusdief” verder

De man zonder tanden

Striemende kou snijdt langs m’n gezicht. Pijn doet het niet, m’n wangen zijn inmiddels zo verdoofd dat het voelt of iemand een kunststof laag over m’n eigen huid heeft geplakt. In m’n hals, onder de opstaande kraag van m’n winterjas en de sjaal die ik daar nog eens omheen wikkelde, voel ik pareltjes zweet opwellen. Het fietsen in dit weer en met tegenwind, valt me zwaar. De fiets heeft net als mijn conditie zijn beste tijd gehad.
Het park is groen, abnormaal voor deze tijd van het jaar. Het laat zien dat ondanks de ijzige wind die vandaag waait het werkelijk winterse weer nog nauwelijks van zich heeft laten horen. Een tweetal fietst me tegemoet. Een vrouw met naast haar een jongen van een jaar of 7. Zij probeert puffend en steunend de lichte helling die ze op fietsen te bedwingen. Haar rechterarm uitgestrekt naast haar, de hand rustend op de rug van de jongen. Hij is nog steviger ingepakt dan ik en doet verwoede pogingen zijn moeder bij te houden. Het puntje van zijn tong steekt uit, zijn ogen wijd opengesperd. Hij lijkt zich niet bewust van de helpende hand die hem wordt geboden. Ik moet denken aan hoe ik zelf ooit mijn eigen zoon zo voortduwde, door de tegenwind, proberend zo zijn eigen kleine leed iets te verzachten. Lees “De man zonder tanden” verder

Schuld

Hij had er over nagedacht en het leek hem beter wanneer er geen God bestond. Op die manier hoefde hij Hem ook niet de schuld te geven van wat er gebeurde. Dat was zo bekeken toch een stuk makkelijker.

We waren 15 en 14 en grotendeels op onszelf aangewezen. Mama was er wel, maar kwam dezer dagen nauwelijks haar kamer nog uit. Ze lag in bed te slapen of te hoesten en soms allebei, wij zagen erop toe dat zij voldoende dronk, in elk geval probeerde te eten en vooral die veelkleurige pillen uit ontelbare potjes naast het bed en in de badkamer innam. Lees “Schuld” verder

De politie, daar loop je met een grote boog omheen

De eerste keer dat ik met de politie in aanraking kwam staat in m’n geheugen gegrift. Almere, bushalte Stedenwijk-midden, begin jaren 90. Ik was 13. Na schooltijd was ik nog bij een vriend thuis geweest en stond nu bij de halte op de bus naar huis te wachten. Een politieauto kwam de busbaan over gesuisd, ging vol op de rem, twee agenten stapten uit. Zakken leegmaken, kreeg ik gecommandeerd. Er was iemand in de wijk beroofd en ik voldeed aan het signalement. Nog voor ik zoals opgedragen m’n zakken kon leegmaken had de ene agent me met m’n gezicht tegen het raam van het bushokje geduwd, een hand stevig in m’n nek, terwijl hij me met zijn andere hand fouilleerde. De andere agent keerde de inhoud van m’n schooltas om op straat. Nadat ze uiteraard niet vonden waar ze naar zochten stapten ze zonder nog naar me om te kijken de auto weer in en reden weg. Het geheel was gadegeslagen door een ouder stel dat ook de bus zat te wachten. Ze kunnen maar beter het zekere voor het onzekere nemen, wist te vrouw me te vertellen terwijl ik trillend op m’n benen en met m’n hart kloppend in m’n keel m’n schriften terug in m’n tas stopte.

Mijn meest hardhandige ontmoeting met de politie volgde een kleine tien jaar later. Na een auditie in de Wisseloord Studio’s was ik afgezet op station Hilversum-Noord. Een koude, druilerige dag. Ik zat in de kraag van m’n jas gedoken en een pet over m’n gezicht getrokken te wachten op een van de weinige treinen die op het station stopten. Drie agenten kwamen het spoor op, liepen recht op me af, genoeg reden om direct te verkrampen. Wie ze zochten en waarom heb ik nooit gehoord, maar ik voldeed opnieuw aan het signalement. Of ik me kon legitimeren. Dat kon ik, maar maakte de fout iets te snel op te staan om m’n rijbewijs uit m’n portemonnee te kunnen pakken. Voor ik het wist was ik tegen de tegels van het perron gesmeten en zat een van de agenten met een knie in m’n nek op m’n rug. Na een grondige controle van m’n rijbewijs kreeg ik een halfzacht excuus en de opmerking dat ik niet leek op de naam op dat roze papiertje.

Al ruim voor die eerste aanvaring had ik geleerd dat er plekken buitenshuis zijn waar ik m’n houding moet aanpassen. Krijg vaak genoeg de vraag waar je écht vandaan komt en je weet één ding zeker: je komt ergens vandaan waar je er nooit helemaal bij hoort. Waar een winkel uitlopen zonder iets te kopen bij voorbaat verdacht is. Waar mensen hun tas net wat steviger vasthouden wanneer je langsloopt of tegenover hen wil gaan zitten in het openbaar vervoer. En dus sta je ondanks dat je in die winkel niet kon vinden wat je zocht toch maar weer bij de kassa iets onbenulligs af te rekenen. Blijf je staan in de bus of trein omdat je weet dat de spanning te snijden is als je gaat zitten. Na dat eerste contact met agenten kwam daar nog bij: de politie, daar loop je met een grote boog omheen.

Tussen de twee bovenstaande confrontaties met politieagenten zitten meer aanvaringen dan ik kan tellen. Zo hardhandig als die tweede is het nooit meer geworden en naarmate ik ouder werd, werd het aantal staande houdingen wel minder. Van meermaals per week, naar wekelijks, maandelijks, een paar keer per jaar. Maar het is nog altijd niet gestopt. Vorige maand nog wilde ik tijdens een thuiswerkdag een rondje door het park wandelen toen ik vanuit een langsrijdende politieauto grondig werd bekeken. Nadat ze een tweede keer langsreden en hetzelfde deden wist ik al hoe laat het was en liep terug naar huis. Ik hoorde de auto weer achter me en alle alarmbellen gingen af. Niet veel later kreeg ik dan toch weer te horen dat ik aan een signalement voldeed, een signalement dat blijkbaar uit niet veel meer bestond dan “zo’n jas, en een petje”. Terwijl ik na afloop wegliep plaatste ik een foto met de agenten nog op de achtergrond in m’n Instagram Story. Ik probeerde er een grap van te maken, maar ik kookte van woede.

Die woede voelde ik maandagavond ook bij het zien van Verdacht, de 2Doc van filmmaakster Nan Rosens in samenwerking met Controle Alt Delete. Woede, ook om het onrecht dat uitgaat van er keer op keer uitgepikt worden om niets meer dan je biculturele uiterlijk, maar vooral ook woede om het gevoel van onmacht waarmee dat gepaard gaat. Weten dat je het wel moet ondergaan, omdat de gevolgen van je verzetten of simpelweg net iets te mondig zijn niet opwegen tegen die paar minuten vernederd worden door het instituut dat er is om je te beschermen. Etnisch profileren is een probleem. Dat blijkt niet (alleen) uit het anekdotische bewijs uit Verdacht of wat ik hierboven beschreven heb, niet (alleen) uit praktijkvoorbeelden van prominente Nederlanders-met-een-kleurtje als Ahmed Marcouch, MC Typhoon of keeper Kenneth Vermeer, maar vooral ook uit interne onderzoeken van de Nationale Politie zelf. Maandag werd in een zaaltje in Almere, mijn eigen woonplaats, een voorvertoning gehouden van Verdacht. Slechts één politieagent nam de uitnodiging aan die voorvertoning bij te wonen. Slechts één agent was bereid zich te laten confronteren met de gevolgen van acties uit het veld. Ik vrees dat we nog een lange weg te gaan hebben.

Geschreven voor joop.nl