Voorgedragen bij het 25-jarig bestaan van Avanti Almere
We leven in vreemde tijden. Alles lijkt tegelijk te gebeuren. De wereld voelt soms als een huis waar op alle verdiepingen brand is uitgebroken. En terwijl we proberen het vuur op zolder te blussen, slaat de vlam ineens uit de kelder. Je weet niet waar je eerst moet kijken, laat staan hoe je nog ademhaalt tussen al die rook.
Ik sta hier, in alle kwetsbaarheid, niet met oplossingen. Niet als expert. Maar als mens. Als iemand die probeert te begrijpen waar het misgaat, en wat wij – jij en ik – nog kunnen doen voordat de boel echt instort.
Laat me beginnen met het klimaat. Het lijkt een ver-van-ons-bed-onderwerp, maar dat is het niet. Niet meer. Er zijn mensen die elke ochtend wakker worden met het water letterlijk aan hun lippen. Droogte die hele oogsten vernietigt. Stormen die complete dorpen wegvagen. We weten dat dit gaande is. We weten ook wie daar het hardst door geraakt worden. Niet degene die elk jaar drie keer vliegt en in een SUV rijdt. Maar mensen in landen die nauwelijks iets hebben bijgedragen aan de opwarming van de aarde. Zij worden nu al verdreven van hun land, hun geschiedenis, hun thuis. Dat voelt als onrecht op wereldformaat.
En dan die andere dreiging, die minder zichtbaar is, maar misschien nog geniepiger: de honger naar macht, naar uitsluiting, naar controle. We zien hoe autoritaire leiders opstaan – of blijven zitten – en stukje bij beetje democratische waarden afbreken. De VS glijdt in hoog tempo af naar een autocratie. In Hongarije worden LHBTI-rechten afgebroken. In Rusland? Daar wordt mensen simpelweg het zwijgen opgelegd. En bij ons? Hier zijn we zogenaamd tolerant, zolang het niet schuurt. Zolang mensen maar “normaal” doen. Maar wat is normaal? En voor wie?
De woorden waarmee mensen worden buitengesloten, worden steeds minder subtiel. Steeds vaker wordt er openlijk gezegd dat sommige mensen er minder bij horen. Dat ze een probleem vormen. Een risico. En daar wordt electoraal garen bij gesponnen.
Maar het stopt niet bij woorden. In Gaza worden hele families uitgeroeid. Kinderen die nog leren praten, sterven onder puin. En de wereld kijkt weg. Soms met medeleven, vaker met ongemak. Omdat het ingewikkeld is. Omdat het al zo lang speelt. Maar terwijl wij onze meningen wegen, gaan daar mensen gewoon dood. In Soedan en Congo sterven dagelijks mensen in stilte. Geen headlines. Geen hashtags. Alsof hun leven minder telt. Dat besef, dat bepaalde levens blijkbaar niet evenveel waard zijn als andere, dat vreet aan me.
En dan denk je: ja, maar hier? Hier is het toch anders?
Maar ook hier, in Nederland, werkt onrecht als een hardnekkige vlek die je maar niet uitgewassen krijgt. De geschiedenis van slavernij, van kolonisatie – dat zit niet in een verleden tijd. Het zit in onze systemen, in onze blik, in onze kansen. In wie een stageplek krijgt. Wie verdacht wordt van fraude. Wie standaard ‘extra gecontroleerd’ wordt op Schiphol. En laten we het toeslagenschandaal niet vergeten – waar duizenden ouders kapotgemaakt zijn omdat ze anders waren. Een andere naam. Een andere kleur. Hun kinderen zijn uit huis geplaatst. Niet omdat ze iets fout deden, maar omdat het systeem dat over hen moest waken hen wantrouwde, afschreef, en liet vallen. Als dat geen institutioneel racisme is, dan weet ik het ook niet meer.
En weet je wat me misschien nog wel het meest verdriet doet? Dat we lijken te wennen aan dit alles. Dat mensen zeggen: “Ja, maar zo is het nu eenmaal.” Of: “Daar kunnen wij toch niks aan veranderen.” We scrollen, we slikken, we slapen. En ondertussen verdwijnt er iets van onze menselijkheid.
Maar ergens, diep vanbinnen, geloof ik dat dat niet het hele verhaal is. Want ik zie ook iets anders.
Ik zie jongeren die zich vastklampen aan snelwegen, bomen, bruggen… aan hun idealen – omdat ze het zat zijn dat hun toekomst wordt verkwanseld. Ik zie mensen die met open armen vluchtelingen ontvangen, niet uit naïviteit, maar uit overtuiging dat niemand alles achterlaat voor zijn plezier. Ik zie vrouwen die opstaan, ondanks alles, en blijven strijden tegen ongelijkheid. En ik zie gemeenschappen – kleurrijk, divers, krachtig – die weigeren zich uit elkaar te laten spelen.
Dat is de draad die ons verbindt. Niet als abstract idee, maar als werkelijkheid. Want we zijn verbonden. Door de lucht die we inademen. Door de grond waarop we staan. Door het feit dat we allemaal iets van veiligheid, waardigheid en toekomst willen – voor onszelf, voor onze kinderen.
En dat verbinden, dat gebeurt niet vanzelf. Dat vraagt werk. Elke dag weer. Kiezen voor het ongemakkelijke gesprek. Voor het luisteren, ook als het pijn doet. Voor het erkennen van ongelijkheid, ook als jij daar zelf voordeel van hebt gehad. Voor het ruimte maken, in plaats van ruimte innemen.
We kunnen de toekomst niet meer aan beleidsmakers alleen overlaten. Niet alles komt goed met een debat of een regeerakkoord. Het komt goed als wij – gewone mensen – ongewoon moedig zijn. Als we niet wachten tot de wereld beter wordt, maar die betere wereld zelf beginnen te bouwen. Vanaf onze eigen stoep. Onze eigen tafel. Onze eigen stem.
Dit is een keuze die we moeten maken, elke dag opnieuw.Of we kiezen voor uitsluiting, of voor verbinding. Of we anderen wegduwen, of naar hen toe bewegen. Of we angst laten regeren, of moed laten spreken.
Ik kies voor dat laatste. Niet omdat het makkelijk is. Maar omdat ik anders niet meer in de spiegel kan kijken. En ik hoop dat jij dat ook doet. Dat we elkaar vasthouden. Dat we blijven praten. Blijven leren. En blijven vechten voor een wereld waar iedereen telt.
Want de tijd van wegkijken is voorbij. De draad van verbinding is er al. De vraag is alleen: pakken we hem vast?
Dank je wel.