Lieve onbekende

Lieve onbekende,

Ik weet niet wie je bent, maar ik moet steeds aan je denken. Jouw maandag moet begonnen zijn als elk ander begin van de week. Je stond op, maakte je gereed en ging op pad. Misschien deed je dat elke maandag volgens een strikte routine. Er was geen moment waarop je dacht dat je ditmaal wellicht een andere tram moest nemen. Of was dat er wel en besloot je het er toch op te wagen, terwijl je hart in je keel sloeg, maar omdat het leven in het groot nu eenmaal niet altijd bereid is rekening te houden met onze levens in het klein Lees “Lieve onbekende” verder

De cactusdief

Ik was niet altijd een cactusdief.

Er waren simpeler tijden. Tijden waarin we ons op de uren van dronkaards en rustelozen op straat begaven, lege straten en parkeerterreinen afstruinden, blikken door ruiten wierpen, ons gereedschap altijd in de aanslag. Er was zelden een nacht dat we niet beet hadden. Om en om hielden Jeremiah en ik de wacht. De een op de hoek van de straat terwijl de ander het slot open priegelde. Twee minuten werk. Max. Een kwart daarvan om binnen te komen, de rest om te pakken waar we voor kwamen. Lees “De cactusdief” verder

Bloed en vuur en zuilen van rook

Onder m’n voetzolen kraakt het gras en zo nu en dan steekt een stengel of takje gemeen in m’n voet of prikt in m’n enkel. Ik wil de bosrand bereiken voor de avond valt. Bij het ravijn, waar Solomon drie zomers terug naar beneden viel – of werd geduwd, dat weet eigenlijk niemand, maar we missen hem niet dus niemand doet veel moeite – is het beste zicht.

Onderweg kom ik langs de hut van Vader Marcus. Vroeger, toen ik nog niet geboren was, was de kerk in het dorp van hem. Men zegt dat elke zondag het hele dorp uitliep om hem te horen spreken. Tot hij op een dag in de hoek van de kerk ging poepen. Daarna preekte hij steeds vaker alleen nog tegen zichzelf en werd hij vervangen. Ik ga nooit naar de kerk en ik kom het liefst ook niet in de buurt van de hut van Vader Marcus.

Een van de houten luiken voor het raam wordt open gezwiept en ik sta oog in oog met de oude predikant. Hij kijkt me priemend aan terwijl ik bedenk of het oké is om het gewoon op een lopen te zetten. Vader Marcus steekt een vinger naar me uit en zet het op een schreeuwen: ‘Dan zal ik tekenen geven aan de hemel en op aarde: bloed en vuur en zuilen van rook…’

Ik heb genoeg gehoord en trek een sprintje. Ik zwaaide wel, ook gekke mensen verdienen vriendelijkheid. Achter me hoor ik tussen de bomen nog ‘de zon verandert in duisternis en de maan in bloed!’. Moeder had me gewaarschuwd niet te gaan. Volgens haar zijn het de sterren zelf die de duivels aansturen op een avond als nu komen gaat. Ze zegt ook dat gekken als Vader Marcus niet echt gek zijn, maar het willoze slachtoffer zijn van diezelfde duivels. En dat dat ook de reden is dat hij in de kerk heeft gepoept.

Pas bij het ravijn stop ik met rennen. Ik ga op een van de grote stenen langs de rand zitten en laat m’n voeten boven de afgrond bungelen. Zo blijf ik zitten tot het daglicht om me heen verdwijnt. Ze zeggen dat het ongeluk brengt om naar de rode maan te wijzen, maar dat is niet waarom ik hier kom. En wijzen is onbeleefd. Ik wil ‘m alleen zien, zo goed mogelijk. Ze zeggen ook dat de rode maan de aankondiging is van nieuwe tijden. Daar hoop ik op. En ik wil de rode maan vragen stellen. Of hij moeder weer beter maakt, of hij misschien weet waar Solomon is gebleven, en of het alsjeblieft weer eens mag regenen.

Geschreven voor www.shortreads.nl


Nóg meer lezen? In 2017 verscheen mijn verhalenbundel ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’. Bestellen doe je bijvoorbeeld hier. Of hier.

De laatste reis

Hij kwam uit een andere tijd, een andere wereld. Een scherpe geest. Briljant, zeiden velen. Terwijl Europa brandde, stortte hij zich op de wetenschap. Hij maakte zich de filosofie meester en stortte zich vervolgens vol overtuiging op de botanica. Een nauwelijks te stillen honger naar kennis bracht hem de wereld over. Van Engeland, naar Australië, naar Ghana. Terug naar Engeland, om via de Verenigde Staten opnieuw in Australië te belanden, waar hij permanent neerstreek.

*

Hij ontmoette een prachtige vrouw met wie hij kinderen kreeg en ondertussen wijdde hij zich vol overgave aan zijn vak, het terrein dat voor slechts weinigen zo bekend was. Zijn kinderen groeiden op, kregen zelf kinderen. Verdwenen steeds een beetje meer naar de achtergrond.

*

Hij verloor zijn geliefde, en hoewel hij het niet volledig achter kon laten, was ook de tijd gekomen om een stap terug te zetten in zijn werk. Een nieuwe generatie was in zijn voetsporen getreden. Het was tijd om het rustiger aan te doen. Hij bleef alleen wonen, zag de dagen verstrijken. Waar de tijd ooit ongemerkt voorbij vloog, leken de dagen zich nu voort te slepen. Hij deed zijn boodschappen, las de werken van Shakespeare en vond een nieuwe liefde in de poëzie. Hij bezocht vrienden, tot er bijna niemand over was.

*

Hij had een eeuw zien komen en gaan toen hem gevraagd werd zijn kantoor op te geven, zijn tweede thuis, decennialang. Protesteren hielp niet. Hij was te oud bevonden, te broos vooral. Hij sleet zijn dagen in zijn kamer. De kamer waarin hij viel en niet meer kon opstaan. Twee lange dagen en nachten had hij daar gelegen, op de vloer, voordat iemand hem vond.

*

Hij was het leven zat geworden, hoewel het leven hem niet leek los te willen laten. Hij kon zich niet herinneren wanneer hij voor het laatst vreugde had gevoeld. Nog één plan resteerde hem, een laatste wens. Hij had de wereld gezien, had overal succes gehad en nu, nu was de tijd daar. Nog een laatste reis zou hij maken, de allerlaatste.

Geschreven voor Shortreads


Nóg meer lezen? In 2017 verscheen mijn verhalenbundel ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’. Bestellen doe je bijvoorbeeld hier. Of hier.

Naar huis

Het is luid. Luider dan je je voor kunt stellen wanneer je nooit zo’n tocht gemaakt hebt. In films zie je mensen nog gewoon met elkaar praten, maar zelfs via de microfoontjes die aan onze helmen zitten en de koptelefoons daar weer onder, zijn de anderen nauwelijks verstaanbaar.

Niet dat ze veel zeggen, overigens.

Iedereen zit maar wat voor zich uit te staren. Alleen de premier zit, schuin tegenover me, schichtig uit het raam te kijken. Zijn kraaloogjes schieten alle kanten op alsof hij naar iets of iemand op zoek is, op de grond ver onder ons. Hij frunnikt onophoudelijk aan de wijde mouwen van de qamis die hij draagt.

Ik kijk ook naar de grond onder ons, de grond die ik zo lang niet heb gezien. Ik was vergeten hoe zeer ik het gemist heb. Vlak voor we de vallei inschieten komt een tweede helikopter naast ons hangen. De piloten gebaren kort naar elkaar en de tweede helikopter laat zich weer zakken, terug naar achter.

De vallei, met zijn groene, glooiende velden, de zwarte bergen aan weerszijden waar in deze tijd van het jaar nog sneeuw op ligt. Niet op de toppen, maar halverwege en aan de voet, alsof de berg probeert de ellendige winter van zich af te schudden. Ik vraag of we wat lager kunnen. De piloot reageert niet, maar de man tegenover me schudt kort zijn hoofd. Verontschuldigend legt hij een hand op zijn hart. Zijn ogen zijn vriendelijk, kalm. Op zijn schoot rust een groot geweer.

Ik knijp mijn ogen samen en tuur over de velden. Ik zie twee figuren stilstaan en naar ons kijken. Kinderen, denk ik. Jongetjes. Tussen hen in beweegt iets, een kluwen kleurige pakketten. Roze, geel, blauw. Daaronder zit waarschijnlijk nog een ezeltje.

Verder de vallei in. Het landschap verandert van felgroen naar donkergroen, naar bruin. Het gras maakt plaats voor met keien gevulde zanderige vlaktes. Dan weggetjes, zandpaden eigenlijk, daarna ook wegen. In de verte doemt de stad op. Een uitgestrekt mozaïek van platte daken in alle soorten bruin- en grijstinten. De ochtendzon die laag boven de omringende bergen hangt, werpt de ene helft in een fel schijnsel, en laat de andere helft in het donker.

De andere helikopter komt langszij en landt als eerste, wij volgen rap. De deur wordt van buiten opengeschoven en de man tegenover me helpt me van mijn helm af en springt vlot naar buiten. Hij neemt de omgeving op en gebaart me ook uit te stappen. Overal om me heen staan mannen als hij, gewapend, hun ogen strak op de gebouwen om ons heen waarvoor een nieuwsgierige menigte zich verzamelt. De premier krijgt hulp bij het uitstappen, hij zweet.

Ik adem diep in door m’n neus. De geuren die opstijgen uit de stad overheersen de walmen van de helikopters. Het is bijzonder hoe je geuren niet uit je geheugen kunt opdiepen wanneer ze er niet zijn, maar wanneer je ze dan weer ruikt komt er een stortvloed aan herinneringen mee.

Ik wrijf over m’n voorhoofd, precies dáár, voel onder m’n huid een ader kloppen. Ik neem nog een ademteug. Ik ben thuis. Terug op de grond die nooit van mij mocht zijn.

Dit verhaal droeg ik namens Shortreads voor op het Editio Debutantenbal 2018 in De Brakke Grond in Amsterdam


Nóg meer lezen? In 2017 verscheen mijn verhalenbundel ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’. Bestellen doe je bijvoorbeeld hier. Of hier.