Het Monstertje Op Mijn Muur

(voor M.)

Wanneer het ochtendlicht naar binnen valt
En het weer buiten is guur
Dan zwaaien de takken wild voor het raam
En werpen schaduwen op mijn muur

Vanuit mijn bed kijk ik ernaar
Maar hoe ik ook staar en tuur
Iets anders kan ik er niet in zien
Dan een monstertje op mijn muur

Hij danst en springt en gromt en raast
Zijn ogen schieten vuur
Hij heeft het niet op mij gemunt
Hij is wat overstuur

Een donkere wolk schuift voor de zon
Want zo is de natuur
Dan is hij weg, maar nooit voor lang
Het monstertje op mijn muur

Afscheid

‘Kom je snel terug?’ vroeg ze.

Ik schudde van nee, maar het was donker in de kamer, dus dat kon ik makkelijk doen zonder dat ze het zou zien. Ik mompelde wat onverstaanbaars.

‘Ik zal je missen als je weg bent’ voegde ze eraan toe.

‘Ja’ zei ik en strikte mijn veters.

Terwijl ik naar de deur liep hoorde ik haar overeind komen in bed.

‘Bel je me?’ hoorde ik haar vragen.

Er volgde een doodse stilte.

Ik was al weg.

Fout

(Dit artikel verscheen tevens op Nurks)

“Daar hou ik wel van. Lekker fout.” Ze wijst op een gigantische Turk met een paardenstaart en een ringbaardje. Hij draagt een shirt dat eigenlijk een maatje te klein is, bovenste knopen los waardoor zijn borstharen een riante glimp van de buitenwereld opvangen. En hij heeft een pitbull.

Ik besef dat ik geen schijn van kans bij haar maak. Ik ben geen gigantische Turk, ik heb geen borsthaar en ik ben kaal. Daarbij haat ik honden. Niet dat ik het heel erg vind, want zij is blond en een beetje mollig, en daar hou ik dus helemaal niet van. Eigenlijk is ze gewoon dik, maar omdat ik haar wel aardig vind zeg ik dat niet. Maar om zelfs bij onaantrekkelijke vrouwen geen kans te maken is toch wel jammer. Als man heb je immers graag opties.

Continue reading Fout

Eén keer

Ik zal een jaar of vier, misschien net vijf, zijn geweest toen ik mij voor het eerst bewust werd van zijn portret aan de muur. Hij leek op mij, maar dan net even anders. Mijn moeder kwam naast me staan en samen stonden we zo een poosje in stilte naar hem te kijken. Ze zakte door haar knieën zodat haar gezicht op gelijke hoogte kwam met het mijne en sloeg een arm om me heen. Zachtjes zei ze: “Dat is je broertje”.

Eigenlijk had ze “was” moeten zeggen, want op dat moment waren we al een tijdje niet echt familie meer.

Continue reading Eén keer

Een goeie tandenborstel

“Soms moet je nu eenmaal dingen doen die je niet leuk vind”. Dit veel gehoorde zinnetje, of in ieder geval veel gehoord door mij, schiet door mijn hoofd terwijl ik door een fabriekshal loop. Ik moet heel vaak dingen doen die ik niet leuk vind.

Wat ze hier doen weet ik niet precies. Iets met staal. En zand. Tijdens de uitleg die voorafging aan deze rondleiding was ik gebiologeerd door het assortiment koekjes op tafel. Ik vergat te luisteren. We staan in een groepje te kijken naar een bak zand waaruit vlammen komen, ik vraag me af of ik de enige ben die niet weet waarom. Naast de bak staat iemand een sigaret te roken. “Hier mag je nog wel gewoon roken” merkt een collega op, “ik zou hier bijna willen werken, maar ja, die schoenen”.
Voor ons staat Roel enthousiast uit te leggen wat er om ons heen gebeurt. Tenminste, dat denk ik, want door de herrie versta ik er helemaal niets van. Ik loop gewoon achter de groep aan. Wat ik wel versta is dat je absoluut niets mag aanraken en met een blik op de zwarte handen van de mannen die hier aan het werk zijn besluit ik dat dit geen enkel probleem is.

Continue reading Een goeie tandenborstel