Windorgel

Hij schuifelt door het centrum van de stad met de tred van iemand die onlangs opnieuw heeft leren lopen. Zo nu en dan kijkt hij schichtig om zich heen uit bloeddoorlopen ogen die fel afsteken boven de grijze baard van een moeilijk in te schatten aantal dagen. Diepe groeven tekenen zijn voorhoofd, zijn lippen zijn gebarsten en missen vrijwel alle kleur. Hij draagt een oranje pak, zoals de mensen van de groenvoorziening die dragen, of de stadsreiniging, alleen ziet het zijne eruit alsof hij het al enige maanden onafgebroken aanheeft. Ik ken hem. Of ten minste, ik weet wie hij is.

Vroeger, al ruim een decennium geleden, kwam hij dagelijks over de vloer in de videotheek waar ik destijds een bijbaan had. Hij kon soms wel een uur lang door de niet al te grote zaak dwalen, elke hoes minutieus bestuderend. Soms huurde hij een actiefilm, goedkope B-films met Michael Dudikoff, maar meestal was het porno. Wanneer hij een film had gevonden die zijn goedkeuring kon verdragen, bleef hij net zo lang rond de toonbank dralen tot er geen andere klanten meer stonden, de videohoes met foto’s van uiteenlopende obsceniteiten uit het zicht houdend. Tegenover mij en mijn collegae, of tenminste het mannelijk deel, was er van deze gêne geen sprake. Meer dan eens werd ons gevraagd naar de kwaliteit van de film, of er wel een verhaal in zat. Daar hield hij van, zei hij, een goed verhaal. Tussen de porno door. Ongelogen haalden wij steevast onze schouders op.

Wij lachten om hem, achter zijn rug en wanneer hij de winkel verliet. Hij vertelde ook over andere zaken, een bioscoopfilm die hij had gezien, het boek dat hij had willen lezen, de treinreis die hij had gemaakt. Hij maakte zijn verhaal nooit af, voornamelijk omdat wij niet luisterden en hem onderbraken om af te rekenen of te vragen of hij een tasje voor de videobanden wilde. Hij wilde altijd een tasje. In die tijd kwam ik hem ook wel eens op straat tegen, onze stad is niet zo groot. Hij bleef altijd staan als hij mij zag, met een blik alsof hij een praatje wilde maken. Was het te laat om te doen of ik hem niet had gezien, dan kreeg hij een knikje. Meer niet.

Hij staat stil voor een etalageruit met daarachter kleurige Indiaase jurken en een kinderpaspop in een driedelig maatkostuum. Ik weet niet of hij naar de jurken kijkt, de paspop, zijn eigen reflectie, of gewoon wat voor zich uit staart. Zijn haren zijn grijs, als dat van een oude man en zijn lijf is gebogen. In zijn hand draagt hij een grote, rode boodschappentas. Groezelige vingers  omklemmen het handvat. Hij trilt een beetje, vanuit de tas klinkt het gerinkel van flesjes die langs elkaar schuiven. Dan kijken we elkaar aan en even voel ik me betrapt. Ik knik naar hem, de herkenning is zichtbaar niet wederzijds. Dan schuifelt hij door en ik kijk hem na. De flesjes in de tas muzikaal rinkelend als een windorgel.

3 gedachten over “Windorgel

  1. Wat een mooi en beelden verhaal, je ziet het echt meteen voor je, ruikt ‘m bijna. Triest realistisch, uit het leven gegrepen, anoniem… Het maakt me nieuwsgierig naar zijn verhaal.
    Chapeau!

    Pat

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *