Twee minuten doodse stilte

Een paar minuten voor acht. Terwijl de koning met statige passen richting het monument op de Dam stapt tik ik nog snel een bericht. ‘Ben je binnen?’ wil ik van hem weten. En: ‘Zorg er alsjeblieft voor dat je straks twee minuten stil bent.’
Er komt vrijwel meteen antwoord. Hij is bij een vriend thuis, ‘en zijn ouders zijn er ook gewoon hoor’.

Op het pleintje voor de deur wordt nog druk gevoetbald. Ik tel ze. Zeventien kinderen. Veertien jongens, drie meisjes. Niet ouder dan twaalf. Op tv hoor ik iemand schreeuwen, denk ik. De kinderen voetballen rustig door, af en toe komt er nog een auto door de straat.

Uit de tv het geluid van de trompet die de twee minuten stilte inluidt. Ik sta voor het raam, kijk de straat in. O wee als ze straks niet stil zijn, denk ik. Dan kunnen ze op een stevig staaltje irritatie van mijn kant rekenen. Waar ze zelf overigens helemaal niets van mee zullen krijgen, zo ben ik dan ook wel weer. Een auto die net van het parkeerterrein bij de supermarkt was weggereden, wordt nu haastig weer op een vrij parkeervak gezet. Een van de kinderen op het plein pakt een telefoon uit z’n zak, de anderen komen om hem heen staan. Dan lopen ze naar de bankjes aan de zijkant van het plein en gaan zitten.

Op drie jongetjes na.

Uit de televisie komt geen enkel geluid meer, in de straat zijn geen auto’s meer te horen, geen brommers, niets. Behalve dan de drie jongens die onverstoord doorgaan met waar ze mee bezig waren. De koning staat zwijgend, een strakke blik vooruit, de koningin kijkt naar de grond, haar ogen bedekt door de rand van haar hoed. Ik zie mensen in het publiek wat om zich heen kijken, een man heeft zijn ogen stijf dichtgeknepen. Een van de jongens op het plein pegelt de bal het hele veld over en met z’n drieën stuiven ze er joelend achteraan.

Abrupt stil, kijkt naar de andere kinderen op de bankjes. Ze herdenken niets, kunnen zich er misschien ook geen enkele voorstelling bij maken. Maar ze moesten stil zijn, dus dat doen ze. Het drietal kijkt geschrokken in het rond, dan lopen ze naar de omheining en gaan in de hoek staan, hun ruggen stijf tegen het hek gedrukt. Met z’n drieën op een kluitje. De bal blijft midden op het plein liggen.

Op tv wordt het Wilhelmus ingezet. De auto draait langzaam van de parkeerplek af. Een voor een komen de kinderen van de bankjes af, twee meisjes rennen naar de bal. Bij de buren zwaait de balkondeur open. De drie jongens blijven staan waar ze staan, in hun hoek, in doodse stilte.


Nóg meer lezen? In 2017 verscheen mijn verhalenbundel ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’. Bestellen doe je bijvoorbeeld hier. Of hier.