Papa

De wachtkamer is benauwend, gemaakt om je ongemakkelijk in te voelen. Daar kunnen geen gekleurde stoelen, zes gele en twee blauwe, tegenop. Je mag je hier niet op je gemak voelen, je weet niet wat het bericht straks zal zijn. Ik staar naar de vloer, ik ruik het linoleum. Het ruikt overal hetzelfde, het ruikt naar ontsmettingsmiddelen en nabije dood. Ik hoor de stemmen om me heen, maar niks dringt tot me door, ik wacht alleen. Vanuit m’n ooghoeken houd ik de deur in de gaten. Iedere keer wanneer ik voetstappen dichterbij hoor komen voel ik m’n hart een beetje sneller kloppen. Hij klopt overal, in m’n borstkas, in m’n keel, in m’n hoofd. Ik voel elke slag dreunen, m’n hart. M’n hart.

‘Ik voel me niet zo lekker.’
We hebben samen de twee dozen, waarin de nieuwe kast zit, uit de auto getild en naast de deur van het portiek gezet. Ik bel aan en sommeer m’n zoontje om naar beneden te komen en de deur voor ons open te houden.  M’n vader loopt nog even terug naar de auto om wat kussens te pakken die ik ook had gekocht. Als hij terug bij de deur is glinstert zijn voorhoofd van het zweet.
‘Ik voel me even niet zo goed.’
Ik kijk naar hem en neem de kussens van hem over, die ik vervolgens m’n zoontje in z’n handen druk.
‘Loop vast naar boven, ga even zitten’, zeg ik tegen hem.
‘Ik voel me opeens niet zo lekker’, zegt hij nogmaals. Hij klinkt verontschuldigend, alsof hij me niet alleen wil laten staan met die twee dozen.
‘Kom op’, zeg ik, ‘naar boven, ga even lekker op de bank zitten, drink even wat.’

Zonder protest loopt hij de trap op, m’n zoontje heeft de voordeur achter zich dicht getrokken voor hij naar beneden liep. Ik roep achter hem aan dat hij even moet aanbellen, m’n moeder is binnen, zij heeft vanavond op haar kleinzoon gepast. Als de deur open gaat hoor ik hem weer zeggen dat hij zich niet zo lekker voelt.
Ik weeg de dozen en besluit dat ik ze wel alleen kan tillen. Als ik ze allebei boven heb maak ik de voordeur open. Net wanneer ik naar binnen stap loopt m’n vader de gang in, hij moet naar het toilet, zegt hij. Hij ziet bleek, hij zweet. Ik loop de woonkamer in, m’n moeder kijkt me aan, ze kijkt bezorgd. ‘Het gaat niet goed met je vader’, zegt ze.
‘Nee?’ vraag ik, terwijl ik haar woorden probeer te plaatsen. Ondertussen sleep ik de lange dozen de woonkamer in. M’n moeder staat in de gang en zegt dat m’n vader de deur van het slot moet halen. Ik hoor dat hij direct gehoorzaamt.
‘Wat is er met opa aan de hand?’
‘Niets hoor schat, opa voelt zich eventjes niet zo lekker, dat komt zo wel goed.’

Als hij weer naar buiten komt ziet hij lijkbleek. Hij gaat op de bank liggen en m’n moeder vraagt hoe hij zich voelt. Of hij pijn op de borst heeft. Ze is verpleegkundige en de toon waarop ze dit vraagt klinkt beroepsmatig. Ze probeert een diagnose te stellen. Ik moet een koud washandje pakken. En nog een. Hij moet spugen. Ik sprint naar de badkamer en pak een emmer, ik doe dit op de automatische piloot, zoals wanneer m’n zoontje zegt dat hij misselijk is. M’n hart bonkt alsof het naar buiten wil. Hij spuugt. Ik heb m’n vader nog nooit zien braken, bedenk ik me. Ik weet niet waar die gedachte vandaan komt. M’n moeder zegt tegen hem dat hij op z’n zij moet blijven liggen.
Even lijkt hij wat scherper te worden, alsof de inhoud van zijn maag hetgeen was dat hem dwars zat.
‘Bel de doktersdienst’, zegt m’n moeder tegen mij. Ik loop naar een andere kamer om het nummer op te zoeken. Als ik terug loop ligt m’n vader weer op z’n rug, z’n ogen zijn dicht en op de vragen die m’n moeder hem stelt antwoordt hij haast onverstaanbaar.
‘Bel 112’ zegt ze.

We zijn het er roerend over eens, we haten de IKEA. Maar ze hebben er wel mooie spullen, vinden we. Jammer genoeg moet je er dan wel heen om het te halen, dat doen we graag zo min mogelijk. We hebben expres een dinsdagavond uitgekozen, we hopen dat er dan niet zo veel mensen zullen zijn. Ik heb dringend een nieuwe boekenkast nodig, al maanden eigenlijk. De kast zou niet in mijn eigen auto hebben gepast, dus had ik m’n vader gebeld. Ik had ook een vriend kunnen vragen, maar dit was een mooie gelegenheid om weer eens wat samen met m’n vader te doen. We zijn met twee auto’s, dan hoefde hij mij niet eerst op te komen halen. Als we de kast in zijn auto hebben geschoven zeg ik dat ik wel achter hem aan rij, dan kan hij het tempo bepalen. Op de snelweg kijk ik naar zijn achterhoofd. We doen niet heel veel samen, mijn vader en ik. We lijken verschrikkelijk op elkaar, maar tegelijkertijd hebben we niet heel veel gemeen. Hij houdt van klussen, ik niet, dus voor het minste of geringste bel  ik hem. Dan komt hij langs om het klusje te doen en ik help een beetje. Niet dat ik het niet zelf zou kunnen, vast wel, maar ik vind het leuk om samen met hem te doen. Hij ook, volgens mij.
Ik rij in de auto van m’n moeder, de mijne is niet zo goed meer. Haar radio heeft maar één zender geprogrammeerd, Sky Radio, zoete zeikmuziek. Father and friend speelt, van Alain Clark. Ik vind er niet veel aan, maar omdat ik geen andere keus heb luister ik. Ik hoor de tekst terwijl ik naar m’n vader kijk die voor me rijdt. Ik vind de tekst opeens erg mooi. Voor me slingert m’n vader opeens helemaal naar de linkerbaan en weer terug. Hij moet op de weg blijven letten, gelukkig is het rustig.

Ik sta aan de grond genageld terwijl m’n moeder aan de telefoon is. ‘Ambulance’, spreekt ze in. Dan een echt mens aan de andere kant van de lijn. ‘Mijn ex-man is onwel geworden’, hoor ik haar zeggen. Ik kijk naar hem, liggend op de bank, badend in het zweet. Dit kan niet, hij hoort niet ziek te zijn. Niet zo ziek. Hij is de vader, ik het kind, hij hoort bij mijn bed te staan als ik ziek ben. Dat alles weer goed komt. Dit is verkeerd om. Ik schrik op als m’n moeder hard zijn naam roept. En nog een keer. Hij is weg, pas bij de derde keer roepen geeft hij weer antwoord. De stem aan de andere kant van de lijn vraagt of ze de telefoon bij zijn oor wil houden. Ik hoor dat er vragen worden gesteld, maar niet wat. M’n vader zegt alleen dat hij zich niet zo lekker voelt, hij staat op de automatische piloot. Hij klinkt vreemd. Dan zakt hij weer even weg en komt weer bij als m’n moeder tegen hem roept. Buiten hoor ik de sirenes dichterbij komen. Sirenes die ik dagelijks hoor, maar nu komen ze hier, voor mijn vader. Het voelt onwerkelijk, een nare droom. Ik ga naar beneden om de portiekdeur open te houden. Kalm stappen de mannen naar binnen. Waarom rennen ze niet, verdomme, schiet op! Een legertje buurtkinderen verzamelt zich rond de ambulance. Ik loop achter de mannen aan naar boven. Ze willen een handdoek, hij zweet zo erg dat de plakkertjes van z’n borst afglijden, waardoor ze geen hartfilmpje kunnen maken. Hij zakt weer weg. Een van de mannen schreeuwt tegen hem dat hij wakker moet blijven, hij reageert niet. M’n maag draait om, dit is het dan. Voor het eerst van m’n leven besef ik dat m’n ouders niet alleen m’n ouders zijn, ze zijn ook mensen. En mensen gaan dood. Tranen schieten in m’n ogen. Dit is mijn schuld. Ik moest hem zo nodig die kast laten tillen, door mij ligt hij hier dood te gaan. Mijn schuld, verdomme, mijn schuld.

Z’n ogen gaan open, een klein beetje, dan weer dicht. Hij is er nog. Ik kijk naar de monitor die naast hem staat, er bewegen lijntjes, er staan cijfers. Ik snap ze niet. Hij heeft een flink hartinfarct, zeggen ze. Ze spuiten iets in z’n arm, de man legt aan mijn vader uit wat het is, ik hoor het maar half. Ik ben onzichtbaar. Ik zie nog een naald in zijn arm verdwijnen. De andere man is in gesprek door de portofoon. Twee dragers wil hij hebben, twee sterke agenten mag ook. Hij loopt naar buiten, of ik mee wil lopen voor de deur. Als in een trance volg ik hem, als ik de deur uitstap hoor ik de andere man weer tegen mijn vader schreeuwen. Ik ben compleet verdoofd. Mijn schuld. Mijn schuld.
De brancard wordt uit de auto gerold, een politieauto rijdt de straat in. Gevolgd door nog een busje. De agenten uit het busje gebieden de kinderen om afstand te houden. De eerste twee agenten gaan naar binnen, zij rennen wel. Als ik weer boven ben is m’n vader inmiddels in een draagbrancard gelegd, z’n ogen zijn dicht. De mannen leggen hem uit dat ze de trap met hem af gaan, hij reageert niet. Ik krijg de twee grote tassen van de ambulancebroeders in m’n handen gedrukt, of ik die naast de auto wil zetten. Ze komen de trap af, hij wordt op de brancard gelegd die naast de trap staat. Ik loop mee, ik pak z’n hand, hij reageert niet. De ambulance in, m’n moeder gaat mee, ik blijf achter. Ik zal m’n zussen op de hoogte brengen, maar pas als ik weet naar welk ziekenhuis ze gaan. Dat hoor ik nog. Het portier slaat dicht, de sirenes gaan aan. Met een noodgang rijdt de ambulance weg, de hoek om, het zicht uit. Ik stap terug naar binnen en begin schoon te maken. Het bankstel, de vloer. Ik ruim de verpakkingen op waarin de naalden en andere dingen hebben gezeten. Ik schrik op van wat ik aan het doen ben als m’n zoontje de kamer binnen stapt. Hij is de hele tijd op z’n kamer blijven zitten en komt nu pas kijken. ‘Opa is naar het ziekenhuis’, zeg ik tegen hem. Hij denkt even en zegt, ‘dan komt het wel goed, ze hebben mij daar ook beter gemaakt’. Ik druk hem stevig tegen me aan en duw m’n tranen weg.

Ik trek het niet meer in die wachtkamer. Ik loop naar buiten, de afdeling af, de gang op. Daar ga ik zitten, dan hou ik het niet meer. Tranen rollen over m’n wangen. Het moet goed komen, het móet. Dit is niet zijn tijd. Nu niet, nog lang niet. Ik ben boos, op mezelf. Ik geef mezelf de schuld dat hij hier ligt. Hij is niet meer de jongste en toch blijf ik hem vragen om te helpen met stomme klusjes. Ik weet toch dat hij niet zal toegeven dat het misschien teveel is.
Terug de afdeling op, de wachtkamer in. Een glimlach op de gezichten. Hij is gedotterd, alles is goed gegaan, hij is bij kennnis. We mogen zo naar hem toe. Eerst zijn vrouw, daarna ik.
‘Je hebt me laten schrikken’, zeg ik als ik de kamer binnen stap. Hij lacht. ‘Ja he’.
M’n zussen komen binnen, ze knuffelen hem voorzichtig. M’n moeder komt erbij, m’n zwagers, m’n zoontje. We trekken ons niks aan van het bordje dat zegt dat we maar met twee tegelijk bij een bed mogen. We blijven maar heel even, hij heeft rust nodig.
De arts zal later vertellen dat we net op tijd zijn geweest. Als de ambulance iets later zou zijn geweest, dan zou het verkeerd zijn afgelopen. De ambulance was niet iets later, die was op tijd. Het is goed gegaan, hij is er nog. Maar nu moet hij slapen, morgen komen we weer langs. ‘Wel thuis’, zegt hij, ‘ik kom gauw weer jullie kant op’.

21 gedachten over “Papa

  1. Ik heb nog nooit zo snel gelezen, het zou toch niet fout aflopen. Hoe verder ik kwam, hoe harder mijn hart ging kloppen, laat het niet te laat zijn……………. een herbeleving, van hetgeen ik niemand gun.

  2. Sterkte bro, dit had ik dus niet meegekregen. Dat verklaart dus je afwezigheid. Duizeligheid en zweten is een voorteken van een hartprobleem. Omdat mijn vader ook hartproblemen heeft, komt het me heel herkenbaar voor. Na een hartinfarct, wordt je best onzeker over je lichaam en je vader zal denk ik tijd nodig hebben om die angst los te laten. Allah e shafeeh.

  3. Wat Rinske zegt, alleen kan ik me niet meer inhouden. Ik heb dan ook geen tijd meer met mijn vader. Ik voel me een egoïst dat ik huil om mijn eigen verdriet n.a.v jou mooie blog.
    Ik herken er veel in, en wens je dan ook nog alle tijd met je vader! Koester elk moment. Sterkte voor nu.

  4. Sorry voor mijn late reactie bro. Ik hoop dat je je vader goed van hulp mag zijn in de aankomende periode. Fi amaani-Llaah!

  5. De pijn in mijn borst veroorzaakt door de brok in mijn keel is ondragelijk. Tranen biggelen langzaam naar beneden, met een brandend verlangen om los te gaan, maar ik ben op mijn werk dus lijkt me dat niet verstandig en druk ik ze met veel moeite terug naar waar ze vandaan komen. Wat een verhaal… Vanaf ongeveer een maand geleden is bij mijn grote vriend, mijn held, mijn vader ook duidelijk geworden dat hij sterfelijk is. Iets wat je weet, maar niet wil weten. Gelukkig weet ik wanneer ik met hem in de wachtkamer zit. Dat geeft tijd. Tijd die jij niet heb gehad. Je omschrijving van deze verschrikkelijke gebeurtenis is levensecht en misschien zijn het niet de juiste woorden, maar het is weer een juweeltje wat je hier op “schrift” heb gezet. Ik wens jou en je familie veel sterkte, liefde en tijd… nog wat meer tijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *