Mijn voorouders waren slaven

Veldneger. Het staat er echt, als beroep. ‘Veldneger’.

Ik ben aan het graven in de index ‘Vrijverklaarde slaven’, het Surinaamse slavenregister dat sinds deze week online staat. Ik zoek eerst op m’n eigen achternaam, maar dat levert geen resultaten op. Dan tik ik de meisjesnaam in van mijn overgrootmoeder, de moeder van mijn oma. Ik heb thuis een foto van haar. Of een foto van een vergeelde foto, eigenlijk. Emma Christina Menckeberg. Ze draagt een simpele, witte koto en kijkt met vriendelijke ogen en een kleine glimlach in de lens.

Keti Koti
Mijn overgrootmoeder, Emma Christina Menckeberg

Wanneer de foto genomen is, weet ik niet. Maar ze werd geboren in Paramaribo, 1889. Daarmee behoort ze tot de eerste generaties die in vrijheid werden geboren. 26 jaar eerder werd in Suriname de slavernij formeel afgeschaft, op 1 juli 1863. Keti koti, de ketenen gebroken. Vrijheid was er niet direct. Tot nog zeker tien jaar na de formele afschaffing moesten de vrijgemaakte slaven op de plantages blijven werken om ervoor te zorgen dat de plantagehouders geen al te grote financiële schade zouden lijden.

Ik zoek in de registers op Menckeberg en krijg elf resultaten. Elf voornamen, vergezeld van een ‘slavennaam’. Die laatste is overal gewoon hetzelfde als de voornaam: Maria, Careau, Eduard, Rosalie, Charles, Emelie, Ida, Christina, Pieter, Rudi. Alleen Grits krijgt als slavennaam Frits. Dit moeten mijn voorouders zijn.

De namen staan op volgorde van leeftijd, de oudste bovenaan. Dat is Maria. Ze was 54 in 1863 en was tot aan haar vrijlating ‘waschmeid’. Godsdienst: geen. En ze had een borderelnummer, PE545. Een document dat haar het eigendom maakte van ene Johanna Petronella Mencke. Bij de opmerkingen staat dat ze verwant is aan de andere personen op de lijst, maar ook ‘bron geeft niet aan op welke wijze’.

Ik ben op zoek naar de volgende in de lijn van mijn vader, mijn grootmoeder, mijn overgrootmoeder, en dus moet ik bij de jongsten zijn in 1863. Onderaan de lijst dus. Bij de jongens, aangezien de naam via de vader werd doorgegeven. Grits zou kunnen, hoewel hij destijds 13 was (beroep ‘geen’, godsdienst ‘RC’) en dus al 39 toen Emma werd geboren. Het kan, maar de kans is klein. Blijven over Pieter (leeftijd 8, beroep: geen) en Rudi (leeftijd 4, beroep: geen).

Elf namen, elf familieleden van wie ik niet precies weet wie ze zijn en van de informatie die erbij staat word ik niet veel wijzer. Maar het is een begin. Het zijn elf familieleden waarvan ik tot nu toe niet wist dat ze bestonden. Ik klik verder door de lijst. Careau was 36, huismeid, geen godsdienst. Eduard was 32 en ponteknecht, Rosalie 28 en huismeid. M’n adem stokt nadat ik op de naam van Charles heb geklikt.

26 jaar oud, zijn beroep: ‘veldneger’. Hij was aan het werk gezet op de plantage Caledonia. Die moet ik opzoeken. Het blijkt en koffieplantage te zijn geweest aan de Saramaccarivier. De eigenaren zijn niet degenen die mijn familie in bezit hadden, ook komt de familienaam niet terug in het overzicht van de daar aanwezige tot slaaf gemaakten. Ik vraag me af hoe hij daar terecht was gekomen, als enige. Ik ben niet onbekend met de gruwelen van de slaventijd in Suriname, maar daar mijn familienaam te zien staan, gepaard met de term ‘veldneger’ en daaronder de naam van een eigenaar, maakt het opeens veel werkelijker. De rillingen lopen over m’n lijf als ik me probeer voor te stellen hoe dat voor hem geweest moet zijn.

Ik moet denken aan het boek Wij slaven van Suriname, van Anton de Kom. Daarin beschrijft hij uitvoerig hoe tot slaaf gemaakten werden behandeld op de plantages. Een passage uit het boek luidt:

“Claas Badouw, directeur van de plantage La Rencontre, beschuldigde zijn slaaf Pierro ten onrechte een poging gedaan te hebben hem te vergiftigen. Pierro werd in het kookhuis gebracht, waar men hem de tien vingers en de tien tenen afhakte met een scherpe beitel. Vervolgens dwong men hem deze op te eten. Badouw nam daarop zelf een mes en sneed een oor van de slaaf af, dat hij eveneens op moest eten. Toen sneed de blanke gentleman met een scheermes Pierro’s tong af en gelastte hem deze in te slikken. Stervende van de pijn stamelde Pierro met het stompje van zijn tong enkele klanken. Badouw geraakte hierdoor in een zodanige woede, dat hij met een nijptang ook het overige stuk van zijn tong uitrukte.”

Wat Charles heeft moeten ondergaan op de plantage weet ik niet, ik kan alleen maar hopen dat hem de extreme straffen bespaard zijn gebleven. Hij heeft het in elk geval kunnen navertellen, want op 1 juli 1863 werd ook hij vrijgelaten, werden zijn ketenen verbroken.

Vanaf de 17de eeuw verscheepte de West-Indische Compagnie zo’n 450.000 mensen vanaf West-Afrika naar Suriname en Curaçao. Gevangen door onder meer andere Afrikaanse stammen, opgekocht, getransporteerd en doorverkocht door de WIC. In 1863 werden de vrijlatingspapieren getekend van zo’n 45.000 mensen, 35.000 daarvan in Suriname. Op 1 juli worden op diverse plaatsen in Nederland weer herdenkingen georganiseerd aan deze gruwelijke periode uit de vaderlandse geschiedenis.

Excuses van de Nederlandse overheid zijn er nooit gekomen. Erkenning, een monument, wat voorzichtig gekozen woorden. Een ‘sorry’ is er nooit geweest. De Rotterdamse burgemeester Aboutaleb zei in aanloop naar de herdenking van dit jaar dat het wat hem betreft tijd is dat de overheid nu eindelijk die excuses eens aanbiedt. Hij werd bedolven onder dezelfde stortvloed aan drogredeneringen die elke keer opborrelen wanneer iemand het Nederlandse slavernijverleden aankaart: ‘Het waren Afrikanen die andere Afrikanen gevangennamen’, ‘mijn voorouders kwamen uit Drenthe, dus ik heb er niks mee te maken’, en mijn favoriet: ‘Wij waren de eersten die de slavernij afschaften’. Wat wil je nu, een koekje?

Niemand vraagt van individuele Nederlanders om door het stof te gaan voor die eeuwen waarin ver weg, aan de andere kant van de oceaan de meest gruwelijke praktijken werden uitgevoerd. Niemand beweert dat Nederlanders anno 2018 schuld dragen aan die verschrikkelijke slaventijd. Maar die slaventijd was er en werd volledig gefaciliteerd door de Nederlandse overheid. Een tijd die nog altijd doorwerkt in veel families van nabestaanden, het is niet zo heel lang geleden, die wond bestaat nog. Het minste wat je als Nederlandse overheid kan doen is zeggen: dat klopt, daar hebben wij een groot aandeel in gehad, en dat spijt ons. Er is niemand die daar minder van wordt, van die erkenning, dat laten weten dat het wel degelijk gezien wordt. Niemand zal er minder van worden, wel een hoop mensen een stukje beter.

Beluister dit verhaal hieronder: