Gedrocht

Gedrocht

Ik ben misvormd, mismaakt, malheureus. Ik ben Vincent uit Beauty & The Beast, ik ben the elephant man. Ik ben afgrijselijk, afzichtelijk, afstotelijk, ik ben een aberratie die het daglicht niet verdraagt. En het is allemaal de schuld van de kaakchirurg.

Recente foto

Toen ik een jaar of 15 was, moesten er hoektanden getrokken worden om m’n konijnengebit weer een beetje op z’n plek te drukken. Allemaal leuk en aardig, alleen werkte de verdoving slechts aan één kant. Het gevolg: een tandarts die onverdoofd aan een tand begon te rukken, ik die mezelf letterlijk in bochten wrong om uit die stoel te komen en een assistente die het briljante plan had opgevat om juist op dat moment m’n voeten beet te pakken en diezelfde voeten vol op haar lijf gestampt kreeg. Ik zweer dat ik het niet expres deed, maar ruimte voor medelijden had en heb ik niet. Sinds die dag mijd ik de tandarts als de pest en ga op zijn hoogst eens in de vijf jaar voor een controle. Ik heb nooit iets, moet ik daar wel bij zeggen.

Tot drie weken geleden.

Ergens halverwege de jaren 90 besloot een van mijn verstandskiezen niet lekker door te komen, maar gewoon een beetje te blijven liggen. Plat op z’n kant, één treiterig wit puntje boven het roze tandvlees uitstekend. Sindsdien had ik om de zoveel tijd last van die klootzak, maar nooit genoeg.

Tot drie weken geleden.

Na twee weken wachten tot het over zou gaan en als een boer met kiespijn twee interviews afwerken belde ik toch maar de tandarts, die me gelijk doorstuurde. Ik kwam er niet meer onderuit.

Bij de kaakchirurg lag ik in de stoel te wachten, terwijl ik aan alle kanten het zweet uit m’n lijf voelde gutsen. Klamme handjes, doorweekt shirt. De assistente verdoofde me vast en na een stuk of driehonderd keer een naald in m’n tandvlees te hebben geboord, prikte ze met een haakje om te testen of ik wel echt verdoofd was. Nee, verdomme, blijkbaar heeft dat spul bijzonder weinig vat op mij. Er moest een dubbele dosis aan te pas komen. Wachtend op de chirurg probeerde ze een praatje met me aan te knopen, omdat ze doorhad dat ik nogal lag te beven in die stoel. Onder de stoel een plasje angstzweet. Wat ik zoal deed, vroeg ze. Ik overwoog te zeggen dat ik net een boek had geschreven, maar deed het niet. Dan zou ze het omslag van dat boek voor eeuwig associëren met die jammerende bitch die daar in haar stoel lag.

Het duurde lang. Er werd geboord, gehakt, geduwd en getrokken. M’n halve kaak ging mee. Het lukte. Ik ging naar huis en zat de hele avond met ijs tegen m’n wang gedrukt. De volgende dag was de linkerkant van m’n gezicht een wanstaltige karikatuur van wat het eens was. Dat is het nog steeds. Ik kan niet meer naar buiten. De postbode bracht een pakketje en beschaamd deed ik de deur half open. ‘Niet naar me kijken, niet naar me kijken,’ riep ik, pakte het pakket aan en gooide gauw de deur weer dicht.

Ik ben een gedrocht, een monster, een duivelskind. Ik moet verhuizen. Mijn nieuwe thuis wordt oude rioleringsbuizen en verlaten metrostelsels in een wereldstad waar niemand me kent. Ik leef op soep, vla en appelmoes en maak vieze slurpgeluiden. Het is voor iedereen beter als ik onderduik. Het komt nooit meer goed.


Om mijn reis naar de riolering te bekostigen heb ik geld nodig. Koop daarom mijn boek, ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’.

Reageren is niet mogelijk.