En ik hoop dat hij het niet gezien heeft

We maken een ommetje, m’n zoon en ik. Dat doen we af en toe als ik weer eens te lang aaneengesloten achter de laptop heb zitten werken en hij weer eens te lang aaneengesloten op z’n kamer naar een eigen scherm heeft zitten staren. Dan gaan we naar buiten, een rondje om het park meestal, ondertussen kletsen we.

We lopen richting het park, naar het eind van de straat, de wijk uit. Een mooie nazomerse dag en dat aan het begin van de herfst. De zon schijnt volop en warm genoeg om met korte mouwen te lopen. Nu de zon nog schijnt zijn we even bruin, hij en ik. Als het land straks weer maandenlang schuilt onder een dik wolkendek trekt die kleur bij mij deels weg, bij hem is het permanent. Hij wel.

Onder het lopen vertelt hij honderduit. Over school, over de toetsen die hij tot nu toe gemaakt heeft, de lessen waar hij het meeste plezier aan beleeft, de toetsen die eraan zitten te komen. Over de examens die hij volgend jaar moet maken, over de vakken waar hij voor mag versnellen maar niet wil omdat hij zegt geen haast te hebben. Over de rechtenstudie die hij daarna wil doen, over de stage die hij dit jaar moet lopen en waarvoor hij hoopt dat hij dat bij een advocatenkantoor mag doen.

Ons tegemoet loopt een oudere vrouw. Op zo’n vijfentwintig meter afstand houdt ze in, neemt ons op en maakt dan een al te omzichtige halve draai en steekt de straat over om op de stoep aan de overkant haar weg te vervolgen. Ondertussen volg ik vanuit mijn ooghoeken hoe zij ons vanuit haar ooghoeken volgt. Het went, maar gemakkelijker wordt het er niet op. En ik hoop dat hij het niet gezien heeft.

Aan het eind van de wandeling hebben we honger. Voor we terug naar huis gaan maken we een tussenstop bij de supermarkt. We hebben een aantal spullen in ons mandje gegooid wat niet per se heel voedzaam en verantwoord is, maar wel ontzettend lekker. Het past bij de middag. Voor de spaarzame kassa’s die open zijn staan lange rijen. Hij vertelt dat we ook gebruik kunnen maken van de zelfscankassa’s. Die heb ik nog nooit gebruikt, zeg ik. Hij ook niet, zegt hij.

Die kans krijgen we ook niet. Van achter de servicebalie tegenover het apparaat worden we door twee kassières van top tot teen bekeken. Ik scan eerst de plastic tas, maar het lampje verandert van groen in rood met direct erna een melding in beeld. Zelf scannen niet mogelijk, er komt dadelijk een medewerker ‘om assistentie te verlenen’. Aan de andere kant van het apparaat laat een jonge, blonde vrouw de boodschappen die ze scant in haar tas glijden. Niemand voelt de behoefte haar assistentie te verlenen. Achter de servicebalie wordt gefluisterd, terwijl een van hen ons blijft aankijken.

Weet je wat, laat maar, zeg ik, en sluit achteraan in een van de rijen. En ik hoop dat hij het niet gezien heeft.