Discobowlen

Discobowlen

Wat het nog eens extra vervelend maakt, is dat ik daar helemaal niet hoorde te rijden. Niet daar en niet op dat tijdstip. Ik reed per ongeluk de afslag naar de ring voorbij, waarna ik besloot niet te keren, maar gewoon binnendoor te rijden. De rit duurt even lang en omdat ik m’n ruiten eerst had moeten ontdooien, waren we ook al bijna tien minuten later vertrokken dan gepland.

Het is donker, maar helder. Het regent een beetje, maar het was niet glad. Naast me zit hij druk te appen met de vrienden met wie hij straks de hele avond op een verjaardagsfeestje zal zijn. Discobowlen. Tussendoor hebben we het over het boek dat bijna verschijnt en dat als genoeg mensen het kopen, we misschien wel een iets nieuwere auto kunnen halen dan het o zo betrouwbare, maar niet al te charmante oude karretje waarin we rijden. ‘Nee, geen BMW.’

Het moment daarop gaat in slow motion, precies zoals in de verhalen die je hoort, maar die me altijd wat overdreven leken.

Ik had haar wel gezien. Ze reed rustig op tot aan de haaientanden, niets aan de hand. Maar vlak voor we er voorbij waren steekt ze ineens de weg over. Ik gooi het stuur om en stamp vol op de rem, terwijl ik mijn rechterarm voor hem gooi als een soort extra gordel. Ondanks een enorm arsenaal aan scheldwoorden, smijt ik er in dat ene moment alleen een hard ‘Nee!’ uit. Toch nog een dun laagje beschaving.

Eerst is er de klap die minder luid is dan je zou denken, meer als iemand die een autoportier gewoon veel te hard dicht gooit. Tegelijkertijd ook het geknisper van glas dat in kleine stukjes uit elkaar spat. Voor me zie ik de motorkap van mijn auto losschieten en opkrullen. Aan de andere kant van die motorkap zie ik haar. Als in: ik zie lange haren rondzwiepen op een hoofd en een lijf dat opzij wordt geknald. De auto die ik raak draaide 180 graden en belandt voorbij de middenberm op de andere rijbaan.

Daarna is het stil.

Ik vraag of hij in orde was en hij bevestigt, haast alsof er eigenlijk niets gebeurd is en ik een stomme vraag stel. Ik controleer zijn gezicht, z’n benen. Alles lijkt inderdaad in orde te zijn. Dan pas viel me de geur op. In de auto, indringend, bekend, maar mijn hersenen kunnen op dat moment niet bepalen of het olie is of benzine. Aan de voorkant stijgt dunne rook op vanonder de misvormde motorkap.

Zo snel mogelijk uitstappen. Hem uit die auto halen. Dat blijkt nog lastig, want het portier aan de bestuurderskant gaat nauwelijks nog open. Lichtelijk in paniek weet ik ‘m ver genoeg open te beuken om mezelf er tussenuit te wurmen. Onderweg naar de andere kant van de auto hoor ik haar naar me roepen. ‘Sorry, ik zag je niet’. ‘Flikker op,’ bijt ik terug. Een kutopmerking, maar ik had even andere dingen aan m’n hoofd. Weg laagje beschaving. Zijn portier gaat wel open, dus ik trek hem eruit en plant hem veilig in de middenberm, waar hij rustig doorgaat met appen.

Eerst bel ik m’n moeder die niet te ver weg woont. Zodra ze opneemt zeg ik dat ik een auto-ongeluk heb gehad, waar ik sta en dat ze hem moet komen halen omdat hij naar een verjaardagsfeestje moet. Daarna bel ik de politie, want volgens mij heeft nog niemand dat gedaan.

Dan valt me de chaos op de weg pas op. Aan de kant waar haar auto nu staat valt het mee. Er is daar één auto gestopt en de bestuurder is uitgestapt. Achter mijn auto is het een stuk drukker. De man die achter mij reed heeft zijn busje in de berm gezet en staat het verkeer te regelen. Mensen zijn geïrriteerd zie ik als ze voorbij rijden. Wie heeft er dan ook het gore lef om een ongeluk te krijgen. Ik voel me een beetje schuldig. Vanwege de opstopping, maar meer nog wanneer ik haar nog eens goed bekijk. Ze is nog heel jong, tranen lopen over haar wangen. ‘Ik deed het niet expres,’ zegt ze. ‘Weet ik,’ antwoord ik. Allebei kijken we naar wat er over is van onze auto’s. Om ons heen rijdt het verkeer door.

(Bovenstaande foto heb ik gejat van HV-Almere. Als je goed kijkt zie je mijn kapotte auto staan. Als jullie na 14 maart allemaal mijn boek aanschaffen, kan ik een nieuwe auto kopen.)

Reageren is niet mogelijk.