Dahlia

Door het raam van de trein kijk ik naar buiten, naar het kerkje, de grauwe flats in de verte, de weilanden daarachter. Ik kijk naar de mensen op het perron, maar zie niet het gezicht waar ik onbewust naar zoek.  Al mijn hele leven kom ik langs dit station, soms moet ik er overstappen. Het is hier zo leeg dat ik er tot een paar jaar geleden nooit bij stil had gestaan dat dit plaatsje niet alleen een treinstation had, maar ook daadwerkelijk inwoners. Zij was er een van. Sindsdien is zij voor mij onlosmakelijk verbonden met dit station. Wanneer ik hier ben, denk ik aan haar. Soms denk ik terug aan toen, vaak is het alleen haar naam die even vlug m’n hoofd in en uit schiet. Ik vraag me af of ze hier nog woont.

Ik was haar tegengekomen tijdens het uitgaan, zoals ik in die tijd eigenlijk alle meisjes die ik leerde kennen ontmoette. Ik stond naast haar aan de bar, hengelend naar aandacht van het barmeisje om wat te drinken te bestellen. Onder de indruk van haar meer dan imposante voorgevel bood ik haar een drankje aan. Tequila, tetterde ze in m’n oor. De muziek stond weliswaar hard, maar dit schreeuwen was wat overdreven, ik stond verdorie pal tegen haar aan. Het was overduidelijk niet haar eerste tequila. Ik bestelde er vier, twee voor haar en twee voor mij. Dat was meer stoerdoenerij dan iets anders, want de laatste keer dat ik tequila had gedronken was ik pas twee dagen later weer wakker geworden. Sindsdien werd ik al misselijk bij de geur.

We sloegen het eerste glaasje achterover en ik voelde m’n maag omdraaien. Ze lachte en verweet me geen zout en citroen te gebruiken. ‘Je hebt een piercing in je tong’, riep ik naar haar alsof dit nieuw voor haar was. Ze stak haar tong uit, ze had er zelfs twee. Dit was nieuw voor mij, interessant. Na het tweede glaasje vroeg ik haar waar ze vandaan kwam en wat ze daar deed. Ze antwoordde met een heel verhaal, maar ik verstond er geen reet van. Ik weet het aan die dubbele dosis metaal in haar mond, maar later zou blijken dat ze gewoon Brabants was en een beetje sliste. Het magere meisje dat heel de tijd chagerijnig naast ons had gestaan bleek haar nichtje en die wilde naar huis. Aangezien ze daar logeerde had ze geen andere keus dan meegaan, wat behoorlijk roet in m’n plannen strooide. ‘Ik ben de Bob!’, schaterde ze. Ik vond het best. Terwijl ze richting de uitgang werd getrokken riep ze me toe dat ze er de volgende week weer zou zijn.

Nieuwsgierig geworden was ik een week later op dezelfde plek en inderdaad, zij ook. Na wat heen en weer geschreeuw over de muziek heen, vroeg ze of ik misschien even naar buiten wilde gaan. Dit ging makkelijk, dacht ik. We gingen op het grasveldje naast de discotheek zitten, pal naast het slootje. Hoewel ze niet lang binnen was geweest, had ze al redelijk wat gedronken. Vreemd genoeg kon ze zich nog behoorlijk goed uitdrukken, hoewel ik nog steeds wat moeite had haar te verstaan. Ze kwam uit Tilburg, oorspronkelijk, maar ze woonde nu in een dorp hier vlakbij. Het gesprek dat flirterig begon werd serieuzer. Ze vertelde over haar achtergrond, haar familie, haar zusje dat het syndroom van down had. Haar ogen brandden, zei ze, ze had last van haar lenzen. Ze wilde ze uit doen. Ik merkte op dat ik vlakbij woonde, maar vijf minuutjes lopen. Niet veel later wandelden we door het verder verlaten centrum, op weg naar mijn huis. Ze had haar arm in de mijne gehaakt en liep dicht naast me. Ik had geen idee wat er verder zou gebeuren, dit was niet hoe het normaal gesproken ging.

Thuis schonk ik wat te drinken in terwijl zij door m’n cd’s bladerde. Alleen maar soul en hiphop, zelf luisterde ze alleen dancehall zei ze. Ik haatte dancehall, maar dat hield ik voor me. Ze begon driftig met het downloaden van wat volgens haar dringende aanvullingen op m’n muziekcollectie waren. Ik vond het prima, ik zou het later wel weer van de computer smijten. Op de klanken van Morgan Heritage, die ik eigenlijk wel goed vond, spraken we verder. Of tenminste, zij sprak, ik luisterde en deed niet eens alsof. Het gesprek verplaatste zich van de bank naar het bed. Terwijl ze in m’n armen lag luisterden we naar de muziek. We hadden twee flessen wijn op en ik draaide een beetje. Zonder dat er verder iets gebeurde vielen we in slaap.

In de maanden die volgden was ze dagelijks bij me. Ze vertrok ’s ochtends vanuit mijn huis naar haar werk en kwam ’s avonds weer terug. Ze ging alleen af en toe naar huis om wat spullen te halen, die vervolgens bij mij bleven liggen. Ik werd er een beetje zenuwachtig van, maar liet het zo. Ze vertelde me te pas en te onpas hoe blij ze met mij was, ze was nog nooit met een jongen geweest die zelf een inkomen had, legaal, en die haar niet sloeg. Klappen, daar had ze er in haar leven veel van gehad. Hoe langer we samen waren, hoe meer ze daarover los liet. Haar laatste vriend had haar het hele huis doorgeslagen en toen ze zwanger van hem bleek, had hij haar van de trap geduwd. Het had het einde van haar zwangerschap gebleken en ze raapte haar moed bij elkaar en verhuisde, naar boven de rivieren, naar een dorp waar hij niet zou komen.

Op haar lijf was geen litteken te zien, maar van binnen was ze getekend. Ze had voor zichzelf besloten voortaan schijt aan de wereld te hebben, niemand die haar ooit nog zou vertellen wat ze wel en niet kon doen. Ze dronk veel, te veel. Ze liet geen gelegenheid voorbij gaan om strontlazerus te worden en zelfs ik, die ook wel van een feestje hield, had op een gegeven moment geen zin meer om nog met haar weg te gaan. Er wat van zeggen, of af en toe voorzichtig opbrengen dat ze zelf ook nog een huis had, bleek elke keer voor haar weer een reden om ruzie te maken. Ze zocht steeds vaker ruzie, om alles wat ze maar kon bedenken. Ze ging tot het uiterste om het bloed onder m’n nagels vandaan te halen om vervolgens te roepen dat ik haar dan maar een klap moest geven. ‘Dat wil je toch? Zo zijn alle mannen!’, wierp ze me toe, waarna ze haar ogen dichtkneep en zich schrap zette voor de klap. De klap die nooit kwam.

Het kon zo niet langer, ik kon het geduld niet meer opbrengen om met haar buien om te gaan. Nadat ik haar duidelijk had gemaakt dat het tijd was voor haar om weer even naar haar eigen huis te gaan, zag ik haar twee weken niet. Ik had me afgevraagd of ik haar zou missen en hoewel ik dat wel een beetje deed, voelde ik me bevrijd, ik kreeg weer lucht. Een telefoontje, ze wilde graag die avond langskomen om wat met me te bespreken. Ik had al besloten er een punt achter te zetten en was blij dat zij nu het gesprek aan wilde gaan, dat zou betekenen dat ik niet degene hoefde te zijn die het hoge woord eruit gooide. Dat is altijd makkelijker. Niets was minder waar. Nadat we die avond even zwijgend naast elkaar hadden gezeten op de bank vroeg ik haar wat ze wilde vertellen. Hierop viste ze twee volgeschreven blaadjes uit haar zak, ze had haar gevoelens opgeschreven en begon deze voor te lezen.

Ze wist dat ze zich af en toe onmogelijk maakte en vroeg me geduld met haar te hebben. Ik kon het niet. Niet meer. Ik had de knop al omgedraaid, de twee weker zonder haar hadden een last van m’n schouders geworpen, eentje die ik niet terug wilde. Nadat ze klaar was met voorlezen keek ze me aan en ze bleef me aankijken terwijl ik mijn verhaal deed. Terwijl ze kalm bleef zitten, zwijgend, zag ik de emotie uit haar ogen verdwijnen. Ik wist niks meer te zeggen en staarde wat naar een denkbeeldig plekje tussen ons in op de bank. Uiteindelijk stond ze op. Zonder om te kijken liep ze naar de deur, hier aarzelde ze even, maar stapte toen naar buiten. De avond in. Ze heeft me nooit meer gebeld en ik had niet de behoefte iets van mij te laten horen. Haar spullen is ze nooit op komen halen.

Er zijn jaren verstreken, nooit ben ik haar nog ergens tegengekomen. Haar spullen verdwenen vanuit de kast in een zak en, na een verhuizing, naar het vuil. En met haar spullen, verdwenen de laatste herinneringen. Herinneringen aan een relatie die vanaf het begin gedoemd was te mislukken.  Volledig vergeten zal ik haar echter nooit, want altijd is er de tussenstop op dit station en altijd kijk ik weer of ik haar zie staan, wat nooit gebeurt. En terwijl de trein van het station wegrijdt, zakken mijn herinneringen aan haar weer weg om vervolgens volledig te verdwijnen. Tot de volgende keer dat ik hier langs rijd en ik weer uit het raam zal kijken om haar vervolgens nooit weer terug te zien.

15 gedachten over “Dahlia

  1. Ik heb ietsmet’jouw’woorden… Leerzaam. De eenvoud van herkenning, de opbouw klopt, is spannend en voert verder, tevreden stemmend na de laatste punt. Wanneer meer? Dankjewel.

  2. Schitterend, alsof ik het zelf heb meegemaakt. Herkenbaar, zoals je haar toch blijft herinneren.
    Ik zal ook altijd op soortgelijke wijze blijven denken aan sommige van de vrouwen die in mijn leven zijn geweest.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.