Archief van
Categorie: Leven

Lezen en schrijven

Lezen en schrijven

Ik leerde mezelf lezen nog voor ik naar school ging. Mijn oudere zus gaf de voorzet, mijn moeder hielp, maar daarna deed ik het meeste zelf. Gewoon door veel te lezen. Alles. Omdat ik dat graag wilde.

Toen ik in de kleuterklas zat, wat nu groep 2 is, stopte de juf met het meegeven van voor de ouders bestemde brieven in open enveloppen. Mijn klasgenootjes gaven die namelijk aan mij, zodat ik ze hen voor kon lezen. Ik kan me niet herinneren of het echt gevoelig materiaal was, maar de juf had het liever niet.

Ondertussen las ik door. In de eerste klas, of groep 3, werd ons echt geleerd te lezen. Soms zaten we in groepjes van vier, waarbij we elkaar om en om stukken uit een gekregen verhaaltje moesten voorlezen. Omdat ik geen zin had in het gehakketak van mijn klasgenootjes en zij het eigenlijk ook wel best vonden, las ik hen gewoon het hele verhaal voor. Soms deed een klasgenoot daarbij een dutje. Dat was het moment dat ik tijdens de leeslessen maar in een klas hoger mee moest doen. En daarna nog een.

Van het lezen kwam het schrijven. Wie veel en vaak leest, leert vanzelf spellen. Hoe je een zin correct formuleert. Ik maakte mijn dictees foutloos en maakte van de korte schrijfopdrachtjes halve opstellen. Ik schreef brieven naar Donald Duck, Achterwerk en Greenpeace (een vurig pleidooi voor schapenwol in plaats van zeehondenbont). Ik las veel, ik schreef veel en ik schreef goed. In hogere klassen en op de middelbare school zorgde het ervoor dat ik onvoldoendes kreeg voor werkstukken waar ik hard aan had gewerkt, omdat ik het zou hebben overgeschreven uit het boek. Dat zorgde ervoor dat ik expres knullige zinnen en makkelijke woorden ging gebruiken. Maar dat was later pas, in de lagere klassen op de basisschool had ik daar nog helemaal geen last van.

Was ik een wonderkind? Verre van. Op lezen, schrijven en gym na, blonk ik nergens echt in uit. Ik kwam gewoon goed mee. Maar lezen en schrijven? Ja, dat kon ik. En door het vele lezen kon ik behalve schrijven ook een aardig woordje meepraten met mensen die wat ouder waren dan ik. Ik snapte dingen. Of in elk geval wilde ik ze snappen, en dan ben je al een heel end.

Aan alles hierboven moest ik dit weekend denken na een brief aan Dolores Leeuwin, de verslaggever van het sinterklaasjournaal die deze week de handdoek in de ring gooide omdat de directie van de NTR halsstarrig vasthoudt aan een zwarte Piet. De brief aan Dolores werd geschreven door Felix, een zeer pientere jongen van 8 jaar oud die haar een hart onder de riem wilde steken en zelf ook de nodige ideeën aandraagt voor wijzigingen aan Zwarte Piet. Niet omdat iemand hem heeft verteld dat hij dat moet vinden, maar omdat hij zelf meekrijgt wat er allemaal gebeurt en op basis daarvan een mening heeft gevormd. Die brief lees je hier.

De brief van Felix maakte wat los, alleen… vrijwel geen enkele reactie ging over zijn boodschap, over hoe een kind nu eigenlijk aankijkt tegen eventuele wijzigingen van een kinderfeest. Negen van de tien reacties gingen over de toon, over de spelling, over de zinsconstructies. Over de gedachtegang. Over hoe een jongen van 8 onmogelijk zo’n brief kan schrijven. Over hoe hij moet zijn ingefluisterd door zijn ouders. Over hoe hij niet echt bestaat en dat de brief geschreven is door een volwassene die de zwartepietdiscussie op die manier naar zijn hand wil zetten.

De tweet hierboven is van schrijver Thomas van Aalten die ook sceptisch was en na een paar opmerkingen over en weer de reden daarvan deelde. Ik plaats zijn tweet ter illustratie en eigenlijk ook omdat het de enige is die het daglicht kan verdragen en waar ik niet direct strontchagrijnig van word. Op joop.nl, waar de brief staat, waren veel – uiteraard niet doorgelaten – reacties van een dusdanig niveau dat zelfs de moderator van de Telegraaf ze zou hebben geweigerd.

Ik weet wie Felix is. Ik weet wat hij nog meer schrijft en hoe ontzettend goed hij dat doet. Ik weet ook dat er niemand is die hem influistert, die zijn taalgebruik corrigeert. Ik weet ook dat hij echt 8 jaar oud is. Hij kan dit.

En Felix heeft een mening. Een die hij wilde delen op een platform waar veel mensen het konden lezen, misschien nieuwe inzichten konden opdoen. Gelukkig voor Felix weet hij veel, maar nog niet hoe het er op internetfora en sociale media werkelijk aan toe gaat als je een mening hebt die niet aansluit bij de schreeuwende horden. Ik hoop dat hem dat nog heel lang bespaard blijft. Ik hoop dat hij zich nog lang zal verliezen in goede boeken en het schrijven van mooie teksten. Dat hij nog lang zo nieuwsgierig blijft als hij nu is en dat gebruikt om een schat aan kennis te vergaren. Ik hoop dat hij met die schat aan kennis straks een van degenen is die het voortouw nemen en zullen zorgen dat we met z’n allen eindelijk weer eens een beetje normaal gaan doen. Hup Felix, you got this.

In 1986 was ik 8 en stuurde ik mijn oom een kaartje. Toegegeven, ik ben hier en daar een n vergeten, maar ik had Linneaushof wel bijna goed gespeld. Zonder hulp.
In 1986 was ik 8 en stuurde ik mijn oom een kaartje. Toegegeven, ik ben hier en daar een n vergeten, maar ik had Linnaeushof wel bijna goed gespeld. Zonder hulp.
Bang

Bang

Vorige week was ik voor het eerst bang.

Tenminste, voor het eerst in mijn volwassen leven. Niet dat ik zo ontzettend onverschrokken ben, maar ik kom nu eenmaal nooit in situaties waar ik ergens voor moet vrezen. Maar vorige week was ik dus bang.

Het duurde maar heel even. En het duurde daarna nog eens een week voor ik doorhad dat ik inderdaad bang was geweest.

Het zit zo. Ik ga over drie weken een weekend naar Parijs. Het is een verrassing voor mijn zoon. Hij is dan jarig en omdat hij zijn eigen feestjes altijd erg ongemakkelijk vindt, wil hij het dit jaar niet vieren. Hij wil met mij ‘iets leuks’ gaan doen. Naar een film en daarna ergens biefstuk eten bijvoorbeeld, zei hij. In plaats daarvan neem ik hem een weekend mee naar Parijs. Dat weet hij niet en ik vertel het hem ook pas op de dag van vertrek en ik ga er ook maar gewoon vanuit dat hij de website van z’n vader niet boeiend genoeg vindt om te bezoeken.

De reis was zo geboekt, het hotel duurde iets langer. Er zat ontzettend veel vol. Vooral de peperdure hotels waren nog beschikbaar en AirBnB staat me niet aan, dus ik moest een tijdje zoeken tot ik iets had gevonden dat zowel betaalbaar als (hopelijk) vrij is van gekke vlekken. De eerste paar hotels die ik zag bevonden zich allemaal in de buurt van Place de la République. Daar is natuurlijk nogal wat gebeurd, dus ik kan me goed voorstellen dat veel mensen liever even ergens anders gaan zitten. Ik vond er een leuk hotel, twee straten verwijderd van Bataclan. Ik had bijna geboekt, maar vond na nog een laatste zoekronde een veel leuker hotel op een locatie die ik eigenlijk ook veel leuker vind, net even om de hoek van het Louvre. Daar verblijven we straks.

Vorige week ontdekte ik plots waarom het dat weekend – denk ik – zo druk is in alle hotels. We gaan naar Frankrijk tijdens het EK voetbal en het weekend dat wij er zijn wordt in Parijs de achtste finale gespeeld. Een groot evenement in Parijs net wanneer wij er zijn. In het Stade de France.

Stade de France. Ik dacht direct aan de aanslagen van vorig jaar november. Aan de aanslag op Charlie Hebdo daarvoor. De meeste aanslagen waren in het 10de en 11de arrondissement. De plek waar ik bijna een hotel had geboekt. Ik was opgelucht dat ik daar niet zat, want wat als… Ik ben er niet alleen, ik ben er met m’n kind.

Ik dacht aan waar ik nu zat, hoe veilig zou dat zijn? Zou er iets kunnen gebeuren? Moest ik annuleren, een ander weekend kiezen? Moest ik het hele weekend in Parijs nu over m’n schouder blijven kijken? Op verdachte bewegingen letten? Zijn er delen van de stad waar ik misschien wel heel graag naartoe wil, maar die ik toch beter kan mijden? Op de hotelkamer blijven?

Dat doe ik allemaal niet, maar ik dacht het wel. Ik dacht het wel en ik vond het eng.

Heb ik nu de terroristen laten winnen?

Geen zin

Geen zin

Een jaar geleden, give or take een paar weken, hing ik languit op een stoel langs een zwembad in de Macedonische zon. Voor me speurde m’n zoontje de bodem van het zwembad af op zoek naar de snorkel die bij zijn veel te grote duikbril hoorde. Naast me een koud drankje en een volle asbak, want een jaar geleden rookte ik nog (weer) ketting. Er lagen ook twee notitieboeken – een voor elk boek dat ik aan het schrijven was. Het eerste schreef ik in opdracht en ligt inmiddels in de winkels, maar daar kan ik verder niets over kwijt. Het andere was de semi-autobiografische roman die inmiddels al drie jaar m’n debuut moest worden. De eerste paar dagen van de vakantie was ik nog voortdurend bezig met aantekeningen maken en ongetwijfeld geniale invallen noteren, maar dat werd steeds een beetje minder. Tot ik helemaal geen zin meer had.

Lees Meer Lees Meer

Liefde

Liefde

Schier onbewogen beweeg je je door het leven. Je rug recht, je kin fier omhoog.Je glimlach warm, je ogen stralen. Niemand die jou iets maken kan.Voor de buitenwereld verborgen, het leed dat op jou is neergedaald. De oneerlijkheid des levens in al haar facetten. Je accepteert het. Je moet wel, je hebt geen keus. Elke nieuwe dag die aanbreekt zet je opnieuw je schouders eronder, niet wetend wat die dag brengen zal. Je schikt je naar de situatie, brengt offers, vrij van enige zelfzuchtigheid. Je handelt uit liefde, het houdt je op de been.

Lees Meer Lees Meer

Pesten, dat doet je kind toch niet

Pesten, dat doet je kind toch niet

(Dit artikel verscheen op 6-10-2012 in Trouw)

Nu de Grote Vakantie ten einde is, is het Grote Loslaten weer begonnen. Ik reken mezelf niet tot het groepje zogenaamde hyperouders. Ouders in de veronderstelling invloed te kunnen uitoefenen op elk mogelijk aspect van het leven van hun kind. Dat neemt niet weg dat ik het liefst 24 uur per dag zou waken over zijn welzijn en hem te beschermen tegen elk mogelijk ongemak. Na ruim zes weken exact te hebben geweten waar mijn zoontje was en wat hij daar deed, heb ik hem nu weer voor een groot deel van de dag uit handen moeten geven aan de school. Natuurlijk weet ik daarmee wel precies wáár hij is, maar wat er binnen die muren gebeurt hoor ik hooguit achteraf.

Lees Meer Lees Meer

Ballast

Ballast

Een grote wolk onttrekt de zon aan het zicht. Het koelt direct af. Ik zak iets verder onderuit zodat alleen mijn gezicht nog boven het warme water uitsteekt. Na zeven opeenvolgende afdalingen van de wildwaterbaan vind ik het halverwege wel even mooi geweest. M’n zoontje gaat onvermoeibaar door. Elke paar minuten komt hij opnieuw jubelend voorbij. Hij krijgt er geen genoeg van. Ik lig hier voorlopig prima. Met m’n oren onder water hoor ik slechts gedempt de kreten en het geplons van de andere badgasten.

Lees Meer Lees Meer

Bananen

Bananen

Gedrieën zitten we aan de keukentafel, mijn vader, diens oudste broer en ik. Ze zijn oud geworden. Beiden geen haar meer op het hoofd die niet grijs is, de jaren zichtbaar afgetekend op hun gezicht.

Ze halen herinneringen op aan vroeger, aan Suriname. Hoewel ik alles al honderd keer heb gehoord luister ik, en ik geniet.

“Als mijn opa een tros bananen had gekapt, dan aten we een week lang banaan.”

Ze glimlachen bij de herinnering.

“Het moest op.”

Nieta

Nieta

Het is het voorjaar van 1990. Als jochie van amper twaalf ben ik een barre fietstocht vanuit Alkmaar aan het ondernemen (tegenwind, de hele weg). Met een tasje met wat boterhammen onder de snelbinders ploeter ik samen met de rest van de klas over de dijk naar het noorden. Den Helder is in zicht, daar wacht het veer naar Texel, de eindbestemming voor een weekje schoolkamp.
Aangekomen bij de haven wordt de hele klas naar een strook asfalt gedirigeerd naast het restaurant, waar we niet naar binnen mogen. Hier wachten we tot de veerboot, die zojuist arriveert, leeg is en we aan boord kunnen. Ik heb m’n fiets nog niet op de standaard gezet of ik zie haar. Met een grote glimlach komt ze mijn kant op gesneld. Mijn oma woont in Den Helder en zodra ze hoorde dat ik daar die dag zou zijn, besloot ze mij te komen begroeten. Ze wist niet hoe laat we aan zouden komen en heeft daarom uren staan wachten. Nog voor ik haar goed en wel gedag heb kunnen zeggen heeft ze me stevig in haar armen gesloten.

Lees Meer Lees Meer

Familie

Familie

Ik zit in de woonkamer. Op de plek die ik voor me zie wanneer ik terugdenk aan mijn opa. Omringd door mensen die ik ken, maar tegelijkertijd ook weer niet. Het voelt vertrouwd, maar toch ben ik een vreemde. Voor hen, niet langer voor mezelf. Als kleine jongen afgesneden van dat deel van mijn leven en er nooit volledig in teruggestapt. Kansen waren er, zo nu en dan, maar werden nooit aangegrepen. De afstand was groot, op elk gebied. Een afstand die vervaagde met een telefoontje. Ze heeft niet lang meer, het einde nadert. Ze is een schim van de vrouw die ik me herinner. Ik besef hoezeer ik haar heb gemist. Hen allemaal, maar het doet er niet meer toe. Van binnen weggevreten door een sluipmoordenaar, haar ogen mat en neergeslagen. Slechts haar tong vuurt nog. Ik wil er zijn voor haar, voor hen, maar vrees hier voornamelijk voor mezelf te zijn. Toen had ze me nodig, wellicht, nu niet meer. Het is bijna voorbij, van de kansen die worden geboden om dingen recht te zetten is er geen een meer over. Ik neem vervroegd afscheid en het doet pijn, veel pijn, maar haar laatste adem is voor de familie. Mijn familie. En ik hoor daar niet meer bij.

Een jaar voorbij

Een jaar voorbij

Precies een jaar geleden maak je me ’s nachts wakker. Je hebt buikpijn. Ik maak me niet al te veel zorgen, het komt wel vaker voor dat je ’s nachts een pijntje hebt wanneer je wakker wordt. Ik leg je dan naast me in bed en meestal slaap je direct verder. Nu duurt het iets langer, maar na een klein glaasje water val je alsnog in slaap. De volgende ochtend geef je aan nog steeds een beetje buikpijn te hebben. Ik heb een belangrijke afspraak op m’n werk die ik niet kan afzeggen, dus ik zeg dat je niet thuis kunt blijven. Mokkend maak je je op voor school.
Tussen de middag krijg ik een telefoontje van de school. Je hebt tijdens het overblijven zo’n buikpijn dat je niet wilt eten. Ik zit midden in een gesprek met een client en geef aan dat ik zo snel mogelijk probeer te komen. Als ik drie kwartier later bij je ben zit je alweer in de klas. Je hangt over je tafeltje heen en ziet bleekjes. Ik til je op als we naar de auto lopen en je begraaft slapjes je gezicht in m’n hals. Je ogen zijn nat terwijl je bijna nooit huilt.

Lees Meer Lees Meer