Archief van
Categorie: Kort

Morgen mag hij weer groot zijn

Morgen mag hij weer groot zijn

Ik word wakker door een arm die stevig om me heen wordt gewikkeld. Zijn hoofd drukt zich in mijn borstkas. Hij voelt zich niet lekker, zegt hij. Ik kijk op de klok. Het duurt nog uren voor de wekker gaat. Blijf maar thuis, hoor ik mezelf zeggen.
Dat ging makkelijk. Voor ons was dat vroeger veel lastiger. Als we konden lopen, waren we niet ziek. Meestal waren we dat ook niet, maar het viel altijd te proberen. Ik denk niet dat hij het alleen maar probeert. Z’n voorhoofd gloeit een beetje, denk ik. Misschien is het wel gewoon de slaap waarin hij alweer is gevallen. Ik aai door z’n haar, het is lang. Mooi, vind ik het zo, sinds hij zelf besluit hoe hij het draagt. Hij is nu groot. Meestal ook te groot om zo bij me te komen liggen.
Het kan zijn dat hij niet zo ziek is als hij zich zegt te voelen, maar ik neem het risico niet. Niet sinds die keer dat ik vond dat hij gewoon naar school moest en ik hem niet veel later badend in het zweet weer uit de klas moest halen omdat hij echt enorm ziek bleek. Jaren geleden, maar ik voel me er nog altijd schuldig om. Dat draag ik sowieso lang met me mee als het om hem gaat. De week waarin ik hem in huis nam kwamen we ’s avonds laat aan op het station, hij moest plassen. Ik bracht hem naar het toilet in de hal met een ingewikkelde deur die ook nog eens heel zwaar is en dacht dat hij het binnen wel alleen af kon. Dat was niet zo. De deur bleek van binnen ook heel ingewikkeld en zwaar. Hij kreeg hem niet meer open en dat kon alleen van binnenuit. Het was laat en er was verder niemand met een noodsleutel of iets dergelijks. Er was überhaupt niemand. Ik hoorde hem door de zware deur heen huilen en ik kon niets anders doen dan door de deur tegen hem zeggen dat het wel goed zou komen en dat hij kalm moest blijven en net toen ik zeker wist dat we hier een hele nacht moesten doorbrengen en ik ongeschikt voor het ouderschap was, klonk er een klik en stond hij even later triomfantelijk uit te leggen dat er binnen een grote groene knop was waar je op moest drukken. Toch voel ik me nog steeds schuldig. Hij kan het zich niet eens herinneren. Ik aai door zijn haar, morgen mag hij weer groot zijn, vandaag hoeft het even niet.

Zuchtmeisje

Zuchtmeisje

Ze draait het beertje een paar keer om, bij iedere wenteling weer net iets hardhandiger.
‘Wat kost ‘ie?’ vraagt ze, na eerst diep te hebben gezucht, aan mij.
Hoi, goeiemiddag, denk ik, en zeg dat ik het ook niet weet. Ik had het beertje ook al geïnspecteerd en inderdaad nergens een prijskaartje kunnen ontdekken. Ik ging er vanuit dat zij het wel zou weten. Dat is niet zo. Wel weet ik dat het minder dan twaalf euro moet kosten, want op een iets groter beertje zat wel een prijskaartje.  In het winkeltje van een ziekenhuis is alles net iets duurder. Ze weten dat, als je eenmaal hier staat, je toch nergens anders naartoe gaat. Daarom komen ze er mee weg. Over het duurdere beertje zeg ik niks.
Het meisje zucht opnieuw, steekt dan het beertje in de lucht en roept langs me heen: ‘Wat kost deze?’ Ik draai me om, het andere meisje heeft niet door dat het roepen voor haar bestemd is. Achter me klinkt opnieuw een zucht. Met het beertje in haar hand beent het eerste meisje richting het andere. Er komt een man naast me staan, hij heeft drie kinderen bij zich en ziet er moe uit. De kinderen jengelen dat ze een gebakje willen. De man doet zijn best het te negeren.

Lees Meer Lees Meer

Liefde

Liefde

Schier onbewogen beweeg je je door het leven. Je rug recht, je kin fier omhoog.Je glimlach warm, je ogen stralen. Niemand die jou iets maken kan.Voor de buitenwereld verborgen, het leed dat op jou is neergedaald. De oneerlijkheid des levens in al haar facetten. Je accepteert het. Je moet wel, je hebt geen keus. Elke nieuwe dag die aanbreekt zet je opnieuw je schouders eronder, niet wetend wat die dag brengen zal. Je schikt je naar de situatie, brengt offers, vrij van enige zelfzuchtigheid. Je handelt uit liefde, het houdt je op de been.

Lees Meer Lees Meer

Ballast

Ballast

Een grote wolk onttrekt de zon aan het zicht. Het koelt direct af. Ik zak iets verder onderuit zodat alleen mijn gezicht nog boven het warme water uitsteekt. Na zeven opeenvolgende afdalingen van de wildwaterbaan vind ik het halverwege wel even mooi geweest. M’n zoontje gaat onvermoeibaar door. Elke paar minuten komt hij opnieuw jubelend voorbij. Hij krijgt er geen genoeg van. Ik lig hier voorlopig prima. Met m’n oren onder water hoor ik slechts gedempt de kreten en het geplons van de andere badgasten.

Lees Meer Lees Meer

Naamloos

Naamloos

Stevig houdt hij haar vast. Hij weet dat hij haar elk moment zal moeten loslaten. Alles is gezegd. Zo lang mogelijk probeert hij dit moment te rekken. Zijn gezicht in haar hals, haar haren strelen zijn voorhoofd. Het maakt niet uit hoe hard hij slikt, het verlost hem niet van het brok in zijn keel. Het hart dat hij aan haar schonk slaat nu zo hard dat zijn hele lichaam er van schokt. Ze voelt het. Ze haalt diep adem en ook zij verstevigt nog eenmaal haar grip. Hij neemt alles op, probeert het te verankeren in zijn geheugen. Haar aanraking, haar geur. Zijn ogen wellen op, het is tijd. Dan laat hij los. ‘Je moet gaan’, zegt hij. Zijn stem is hees, zijn keel droog. In de deuropening draait ze nog een keer naar hem om. Hij knikt. Een kleine glimlach op zijn lippen, het is goed. Even kijkt hij haar nog na, dan is hij alleen.

Lees Meer Lees Meer

1988: Altijd eentje meer

1988: Altijd eentje meer

In 1988 was ik tien jaar oud en wist niet veel van voetbal. Behalve dat het leuk was om te doen. De gedachte aan voetballen in competitieverband is nooit in me opgekomen, noch had mijn moeder de wens mij elke zaterdagochtend langs de lijn naar een profcarrière te schreeuwen. Dit ondanks het mogelijk aanwezige gunstige genenpakket. Ik zat op judo omdat mijn oudere zus het deed en later nog op atletiek omdat ik best wel hard kon rennen. Maar op straat voetbalde ik. Meestal met de halve straat, maar vaak ook met alleen Hans die tegenover ons woonde. Wij waren elkaars beste vriend sinds we vier jaar oud waren. Ik stond achter het keukenraam van ons nieuwe huis en hij stond aan de andere kant van het glas en stak zijn middelvinger op. We zouden daarna nog vaak samen voetballen. In 1988 voetbalden we ook. Ik was dan Gerald Vanenburg, want dat was familie. Hans was Maradona, want hij was ook Argentijns en vond dat ik maar moest geloven dat ook zij familie van elkaar waren. Dat deed ik niet. We zeiden net zo lang welles en nietes tot er iemand ‘en altijd eentje meer!’ aan toevoegde. Dan gingen we vechten. Midden op straat, want zoveel auto’s reden daar niet. Als we moe waren van het vechten gingen we weer voetballen. Of voetbalplaatjes ruilen, van Panini. Het album van 1988 heb ik nog altijd compleet in de kast liggen. 1988, het enige jaar dat we als voetbalnatie een grote prijs pakten. Maar ik iets meer dan Hans, want ik was familie van Gerald Vanenburg en dat telt altijd eentje meer.

Bananen

Bananen

Gedrieën zitten we aan de keukentafel, mijn vader, diens oudste broer en ik. Ze zijn oud geworden. Beiden geen haar meer op het hoofd die niet grijs is, de jaren zichtbaar afgetekend op hun gezicht.

Ze halen herinneringen op aan vroeger, aan Suriname. Hoewel ik alles al honderd keer heb gehoord luister ik, en ik geniet.

“Als mijn opa een tros bananen had gekapt, dan aten we een week lang banaan.”

Ze glimlachen bij de herinnering.

“Het moest op.”

Einde

Einde

“Hoe dacht je dan dat ik zou reageren?!”
Het puntje van haar neus was knalrood geworden, iets dat immer gebeurde wanneer ze zich opwond. Ik had dit altijd zeer onaantrekkelijk gevonden, het was een van de redenen dat ik in bed het liefst het licht uit liet.
“Nou? Ga je nog wat zeggen??”
Ik had haar zojuist verteld dat ik een eind aan de relatie wilde maken en daarbij een heel verhaal opgehangen over hoe ik me geen raad wist met mezelf, dat ik tijd nodig had om uit te zoeken wie ik was en wat ik wilde en nog meer onzin om te verbloemen dat ik me gewoon verveelde met haar.

Lees Meer Lees Meer

De storm

De storm

‘Ga maar,’ zei ik, ‘aan mij heb je niets.’
Ik sprak de woorden uit en probeerde zowel haar als mijzelf te overtuigen en zij deed haar best het te begrijpen, voor ons beiden.
Haar hand reikte naar de mijne en ik keek ernaar. Aarzelend stak ik mijn hand uit en trok deze weer terug en met uitgestoken arm bleef ze me aankijken.
Ik keek naar buiten, weg van haar en in het raam waarachter de storm hevig woedde weerkaatste haar reflectie. Kalm zag ik haar staan, midden in de storm en haar mond bewoog en voorzichtige woorden rolden over haar lippen.
Ik drukte mijn gezicht verder tegen het koude raam en voelde hoe de regen aan de andere kant van het glas kapot sloeg en zij legde haar hand op mijn schouder.
‘Je kunt beter gaan,’ zei ik nogmaals en ze bleef en ik hield van haar.