Buitengesloten

Buitengesloten

Ik schrok van de deurbel.

Goed, nu schrik ik altijd wel een beetje van de deurbel, maar van deze nog iets meer. Het was namelijk de bel van m’n voordeur, en niet die van het gesloten portiek. Ik heb een klein raam in die voordeur, met luxaflex ervoor (die verkopen ze ook in heel kleine maatjes). Daar tuurde ik doorheen, maar ik zag niemand. Ik dacht dat het M. was die een grap uithaalde en stiekem om de hoek was gaan staan. Daar trapte ik mooi niet in, dus bleef ik stiekem staan gluren om de deur met een ruk open te maken zodra hij het nog een keer probeerde.

Big mistake.

Zodra ik weer een paar sneakers in beeld had (ik had echt heel slecht zicht) trok ik met een ruk de deur open. ‘Ha!’ zei ik. ‘Oei,’ zei m’n geschrokken bovenbuurman. Hij is nieuw, ik ken ‘m niet. Ik heb ‘m weleens gezien, maar ik dacht eigenlijk dat hij gewoon de bezoekende vader was van de jongen waar ik me kort geleden aan had voorgesteld.

M’n nieuwe buurman spreekt moeizaam Nederlands, ik denk dat ik het erger maakte door hem te laten schrikken. En hij was al een beetje overstuur. Dat zag ik niet, dat zie ik nooit, maar hij vertelde dat hij zichzelf had buitengesloten zonder telefoon, dus dat maak ik er gewoon uit op. Daarna stamelde hij nog iets zonder echt woorden te gebruiken en hopte wat heen en weer. Ik hoopte dat hij niet binnen wilde wachten op iemand, want ik moest werken en ik zat dus met die kaak en oké, ik hou niet zo van mensen. En het was nogal rommelig in huis ook.

Ik heb nog een buurvrouw die zichzelf ook altijd buitensluit. Van haar heb ik geleerd dat onze voordeuren nogal makkelijk te openen zijn met een pasje, de reden dat ik tegenwoordig nooit meer de deur uitga zonder het slot driedubbel om te draaien. ‘Ik weet wel een manier,’ mompelde ik moeizaam (die kaak!) tegen m’n buurman en pakte een pasje en sleutels (ik wel). Gaan we doen, dacht ik, hoewel ik zelf nog nooit een deur met een pasje had geopend.

Helaas, hij bleek nou net de enige in dit hele blok te zijn met zo’n anti-inbraakstrip. Hij keek beteuterd, ik ook. ‘Misschien kan ik vanaf jouw balkon klimmen,’ zei hij. We keken allebei naar de balkons, toen naar elkaar en het was duidelijk dat hij er meer vertrouwen in had dan ik. Wanhoop, denk ik. ‘Gaat misschien lukken,’ zei hij. ‘Gaat niet lukken,’ zei ik. En: ‘Ik heb ook liever niet dat u van mijn balkon valt.’ Misschien had dat minder lullig geklonken als ik “het balkon” had gezegd.

‘Misschien kan het via het dak,’ zei mijn buurman. We keken allebei omhoog. Hij woont op de bovenste van de drie woonlagen. ‘Ik denk het wel,’ zei ik, hoopvol. M’n kaak deed zeer, ik wilde naar binnen. Hij belde aan bij zijn buurman. Niemand. Ik probeerde te bedenken wie we konden bellen om die deur open te krijgen. ‘Misschien het andere portiek,’ zei m’n buurman enthousiast en ging vlot de trap. Hij zag het voor zich en ging ervoor, ik waardeerde dat.

De buurman had zichzelf buitengesloten toen hij bij de voordeur z’n afval aan het scheiden was. Laatst zag ik hem in het plantsoentje voor de deur zwerfvuil oprapen en in de prullenbak gooien. De buurman is een goeie vent, het ligt aan mij.

Beneden hoorde ik de portiekdeur dichtvallen. Daar heeft hij ook geen sleutel van, bedacht ik me. Even bleef ik op de overloop staan, was het de bedoeling dat ik achter hem aanging? Voor het geval dat. Ik ging naar binnen. Daar ruimde ik wat rotzooi op, voor het geval dat.


Meer lezen? Dat kan. Hier schrijf ik zeer onregelmatig, maar ik heb toevallig nét een boek uit.

Reageren is niet mogelijk.