Archief van
Auteur: Pascal Vanenburg

Ik las twee boeken (en schreef er een)

Ik las twee boeken (en schreef er een)

Hoeveel ik lees hangt doorgaans af van hoeveel ik te doen heb. Heb ik weinig te doen, lees ik ook weinig. Dan lig ik zonder schuldgevoel op de bank en probeer ik Netflix uit te spelen. Tussendoor blader ik kranten door en benut ik m’n digitale abonnement op The New Yorker (zeggen dat je een abonnement op The New Yorker hebt, is als voortdurend ongevraagd zeggen dat je geen tv hebt. Of aan crossfit doet). Ongelezen boeken blijven ongelezen op de groeiende stapel liggen.

In drukke periodes neig ik naar uitstelgedrag en probeer ik nog steeds zoveel mogelijk te lummelen, maar wanneer ik dan boeken lees in plaats van series binge, heb ik in elk geval het gevoel dat ik op een verantwoorde manier niks doe. De afgelopen week had ik het ontiegelijk druk* en dus las ik twee boeken: Signifying Rappers van David Foster Wallace & Mark Costello en Wij slaven van Suriname van Anton de Kom. Twee boeken die ik al heel lang in de kast heb staan, maar nog niet eerder las.

Ik begon met Signifying Rappers. ‘Brilliantly written, intellectually wired, in-your-face energy’, staat op de voorkant te lezen. Op de achterflap:

A paean to the golden age of hip hop and the first book to consider seriously its position as a vital force in American culture, $IGNIFYING RAPPER$ is a must-read for fans both of Wallace and of hip hop.

Ik kan niet bepaald zeggen fan te zijn van David Foster Wallace, aangezien ik nooit eerder iets van hem las. Infinite Jest staat al heel lang op een verlanglijstje, maar het is er nog nooit van gekomen. Een fan van Hiphop ben ik wel (‘Eén woord, hoofdletter H’ – KRS One). Ik behoorde dus voor minimaal 50 procent tot de doelgroep en had er zin in. Ik googelde ‘paean‘ (lofzang) en begon. Het viel vrijwel direct tegen.

Het boek belooft – wederom op de achterflap – ‘de bipolariteiten(?) van rap en pop in kaart te brengen, rebellie en acceptatie, glitter en gangsterdom’. Daar heb ik denk ik allemaal overheen gelezen. Kan natuurlijk. Wat ik wel las, was het verhaal van twee preppy white boys die tegen alle verwachtingen in ontzettend van Hiphop blijken te houden en zich willen onderdompelen in wat volgens hen de cultuur is. Het gevolg is niet zozeer een mooi verhaal over de begindagen van de Hiphop (waar ik op gehoopt had), maar meer een soort antropologisch verslag van de rapper-in-zijn-natuurlijke-habitat (in dit geval Boston). Als je heel goed luistert hoor je zo nu en dan een voice-over van David Attenborough.

Het is mooi geschreven hoor, dat wel. Meestal, tenminste. Er is gewoon geen zak aan. Na ongeveer een derde gelezen te hebben, waarin ik al een paar keer gestruikeld was over personen die werden opgevoerd zonder dat ik precies wist waarom, merkte ik dat ik meer aan het scannen was dan echt aan het lezen. Scannen op namen van Hiphop-legendes om er dan steeds weer achter te komen dat het boek daar helemaal niet over gaat. Uiteindelijk is het ook niet zo gek. Signifying Rappers was nooit bedoeld als een boek, het is bovenal een schrijfoefening van twee jongemannen die tijd doodden voor ze aan een vervolgstudie aan Harvard begonnen. Als David Foster Wallace daarna niet alsnog een grote naam in de literatuur zou zijn geworden, waren deze pagina’s op een stoffige zolderkamer blijven liggen. Op ongeveer driekwart van het boek hield ik ermee op.

Op GoodReads gaf ik het twee sterren, maar dat gaf ik ook aan klassiekers als Il Decameron van Giovanni Boccaccio en In Cold Blood van Truman Capote. Het kan dus best aan mij liggen.

En dan dat tweede boek

schermafbeelding-2016-11-10-om-19-35-41Wij slaven van Suriname van Anton de Kom is een boek uit 1934. Zo lang ligt het nog niet in mijn boekenkast, maar het scheelt weinig. Toch las ik dit boek over de geschiedenis van mijn eigen voorouders niet eerder. Ik sloeg het wel eens open, liet m’n ogen dan over een paar passages vol gruwelijkheden glijden en legde het dan toch weer weg.

Een voorbeeld van zo’n passage is deze:

Claas Badouw, directeur van de plantage La Rencontre, beschuldigde zijn slaaf Pierro ten onrechte een poging gedaan te hebben hem te vergiftigen. Pierro werd in het kookhuis gebracht, waar men hem de tien vingers en de tien tenen afhakte met een scherpe beitel. Vervolgens dwong men hem deze op te eten. Badouw nam daarop zelf een mes en sneed een oor van de slaaf af, dat hij eveneens op moest eten. Toen sneed de blanke gentleman met een scheermes Pierro’s tong af en gelastte hem deze in te slikken. Stervende van de pijn stamelde Pierro met het stompje van zijn tong enkele klanken. Badouw geraakte hierdoor in een zodanige woede, dat hij met een nijptang ook het overige stuk van zijn tong uitrukte.

Een aantal jaar geleden studeerde ik aan de Pabo. In mijn eerste (en ook enige) jaar liep ik stage in een groep 7 en 8 en moest ik voor een studieopdracht een geschiedenisles verzorgen. Ik koos voor een les over slavernij in Suriname en het Caribisch gebied, omdat – gek genoeg – die periode slechts in een summiere paragraaf in een hoofdstuk over de Gouden Eeuw werd behandeld. Aan het eind van de les was de halve klas in tranen uitgebarsten. Dat was nou ook weer niet de bedoeling. En dan was ik nog niet eens zo eerlijk als Anton de Kom is in zijn boek. Mijn les was een stuk milder, een beetje zoals de verfilming van Hoe duur was de suiker.

Het boek riep me. ‘Nieuwsgierigheid is het plotselinge bewust zijn van een tekort aan kennis.’ Dat las ik ooit in Vrij Nederland, maar ik weet niet meer wie het opschreef. Ik had twee oma’s; de een geboren en getogen in Suriname, de ander in Indië. Ze zijn er allebei niet meer. Sinds hun overlijden ervaar ik een groeiend gemis aan kennis over (de geschiedenis van) zowel Suriname als Indonesië. Ik heb me er nooit écht mee bezig gehouden, alsof ik een genetisch aangeboren kennis bezat en me er daarom niet verder in hoefde te verdiepen. Of zo. Geen idee, ik lul maar wat, ik heb me er gewoon nooit erg in verdiept.

Wij slaven van Suriname vertelt over de onmenselijke manier waarop zowel slaven als indianen behandeld werden door de Nederlanders, maar dat is maar een deel van de boodschap van De Kom, zelf zoon van een ex-slaaf. Het is niet zozeer een boek over de slavernij, maar een werkelijke geschiedenis van Suriname. Een eerlijke, niet een die is ingekleurd door de witte bezetter. De Kom schreef het om Surinamers, die op school vooral de Nederlandse geschiedenis leerden, hun eigen geschiedenis terug te geven (Boni! Baron! Joli-Coeur!). Om een eigen identiteit te vormen.

Het boek verscheen trouwens toen De Kom net een jaar in Nederland was, nadat hij door de Hollanders Suriname uitgetrapt was omdat hij meer dan hen lief was voor de rechten van Surinamers opkwam. In Nederland maakte hij de crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog mee, waarin hij zich verzette tegen het fascisme en voor de ondergrondse pers schreef. Hij werd door de Duitsers opgepakt en gedeporteerd en stierf in 1945 in een concentratiekamp.

Wij slaven van Suriname zou verplicht onderdeel van het curriculum moeten zijn. Dat die gitzwarte pagina’s van de geschiedenis niet of nauwelijks op scholen wordt onderwezen heb ik nooit begrepen. ‘We are here, because you were there.’ En hoe. Maar goed, een vast onderdeel van het leerplan zal het waarschijnlijk niet worden. Dat hoeft jou er niet van te weerhouden het boek zelf te kopen en te lezen natuurlijk. Doe dan! Doe dan! (ik ga je overhoren)

Oh ja

*Nog even over waarom ik het zo ontiegelijk druk had. Ik schreef namelijk zelf ook een boek. Een bundel geschiedenisverhalen. Het verschijnt in maart bij uitgeverij Kosmos en er is zelfs al een ISBN-nummer en alles. Heel erg echt allemaal. Maar ik moest het nog wel even afronden. Dat deed ik afgelopen week.

Lezen en schrijven

Lezen en schrijven

Ik leerde mezelf lezen nog voor ik naar school ging. Mijn oudere zus gaf de voorzet, mijn moeder hielp, maar daarna deed ik het meeste zelf. Gewoon door veel te lezen. Alles. Omdat ik dat graag wilde.

Toen ik in de kleuterklas zat, wat nu groep 2 is, stopte de juf met het meegeven van voor de ouders bestemde brieven in open enveloppen. Mijn klasgenootjes gaven die namelijk aan mij, zodat ik ze hen voor kon lezen. Ik kan me niet herinneren of het echt gevoelig materiaal was, maar de juf had het liever niet.

Ondertussen las ik door. In de eerste klas, of groep 3, werd ons echt geleerd te lezen. Soms zaten we in groepjes van vier, waarbij we elkaar om en om stukken uit een gekregen verhaaltje moesten voorlezen. Omdat ik geen zin had in het gehakketak van mijn klasgenootjes en zij het eigenlijk ook wel best vonden, las ik hen gewoon het hele verhaal voor. Soms deed een klasgenoot daarbij een dutje. Dat was het moment dat ik tijdens de leeslessen maar in een klas hoger mee moest doen. En daarna nog een.

Van het lezen kwam het schrijven. Wie veel en vaak leest, leert vanzelf spellen. Hoe je een zin correct formuleert. Ik maakte mijn dictees foutloos en maakte van de korte schrijfopdrachtjes halve opstellen. Ik schreef brieven naar Donald Duck, Achterwerk en Greenpeace (een vurig pleidooi voor schapenwol in plaats van zeehondenbont). Ik las veel, ik schreef veel en ik schreef goed. In hogere klassen en op de middelbare school zorgde het ervoor dat ik onvoldoendes kreeg voor werkstukken waar ik hard aan had gewerkt, omdat ik het zou hebben overgeschreven uit het boek. Dat zorgde ervoor dat ik expres knullige zinnen en makkelijke woorden ging gebruiken. Maar dat was later pas, in de lagere klassen op de basisschool had ik daar nog helemaal geen last van.

Was ik een wonderkind? Verre van. Op lezen, schrijven en gym na, blonk ik nergens echt in uit. Ik kwam gewoon goed mee. Maar lezen en schrijven? Ja, dat kon ik. En door het vele lezen kon ik behalve schrijven ook een aardig woordje meepraten met mensen die wat ouder waren dan ik. Ik snapte dingen. Of in elk geval wilde ik ze snappen, en dan ben je al een heel end.

Aan alles hierboven moest ik dit weekend denken na een brief aan Dolores Leeuwin, de verslaggever van het sinterklaasjournaal die deze week de handdoek in de ring gooide omdat de directie van de NTR halsstarrig vasthoudt aan een zwarte Piet. De brief aan Dolores werd geschreven door Felix, een zeer pientere jongen van 8 jaar oud die haar een hart onder de riem wilde steken en zelf ook de nodige ideeën aandraagt voor wijzigingen aan Zwarte Piet. Niet omdat iemand hem heeft verteld dat hij dat moet vinden, maar omdat hij zelf meekrijgt wat er allemaal gebeurt en op basis daarvan een mening heeft gevormd. Die brief lees je hier.

De brief van Felix maakte wat los, alleen… vrijwel geen enkele reactie ging over zijn boodschap, over hoe een kind nu eigenlijk aankijkt tegen eventuele wijzigingen van een kinderfeest. Negen van de tien reacties gingen over de toon, over de spelling, over de zinsconstructies. Over de gedachtegang. Over hoe een jongen van 8 onmogelijk zo’n brief kan schrijven. Over hoe hij moet zijn ingefluisterd door zijn ouders. Over hoe hij niet echt bestaat en dat de brief geschreven is door een volwassene die de zwartepietdiscussie op die manier naar zijn hand wil zetten.

De tweet hierboven is van schrijver Thomas van Aalten die ook sceptisch was en na een paar opmerkingen over en weer de reden daarvan deelde. Ik plaats zijn tweet ter illustratie en eigenlijk ook omdat het de enige is die het daglicht kan verdragen en waar ik niet direct strontchagrijnig van word. Op joop.nl, waar de brief staat, waren veel – uiteraard niet doorgelaten – reacties van een dusdanig niveau dat zelfs de moderator van de Telegraaf ze zou hebben geweigerd.

Ik weet wie Felix is. Ik weet wat hij nog meer schrijft en hoe ontzettend goed hij dat doet. Ik weet ook dat er niemand is die hem influistert, die zijn taalgebruik corrigeert. Ik weet ook dat hij echt 8 jaar oud is. Hij kan dit.

En Felix heeft een mening. Een die hij wilde delen op een platform waar veel mensen het konden lezen, misschien nieuwe inzichten konden opdoen. Gelukkig voor Felix weet hij veel, maar nog niet hoe het er op internetfora en sociale media werkelijk aan toe gaat als je een mening hebt die niet aansluit bij de schreeuwende horden. Ik hoop dat hem dat nog heel lang bespaard blijft. Ik hoop dat hij zich nog lang zal verliezen in goede boeken en het schrijven van mooie teksten. Dat hij nog lang zo nieuwsgierig blijft als hij nu is en dat gebruikt om een schat aan kennis te vergaren. Ik hoop dat hij met die schat aan kennis straks een van degenen is die het voortouw nemen en zullen zorgen dat we met z’n allen eindelijk weer eens een beetje normaal gaan doen. Hup Felix, you got this.

In 1986 was ik 8 en stuurde ik mijn oom een kaartje. Toegegeven, ik ben hier en daar een n vergeten, maar ik had Linneaushof wel bijna goed gespeld. Zonder hulp.
In 1986 was ik 8 en stuurde ik mijn oom een kaartje. Toegegeven, ik ben hier en daar een n vergeten, maar ik had Linnaeushof wel bijna goed gespeld. Zonder hulp.
Bang

Bang

Vorige week was ik voor het eerst bang.

Tenminste, voor het eerst in mijn volwassen leven. Niet dat ik zo ontzettend onverschrokken ben, maar ik kom nu eenmaal nooit in situaties waar ik ergens voor moet vrezen. Maar vorige week was ik dus bang.

Het duurde maar heel even. En het duurde daarna nog eens een week voor ik doorhad dat ik inderdaad bang was geweest.

Het zit zo. Ik ga over drie weken een weekend naar Parijs. Het is een verrassing voor mijn zoon. Hij is dan jarig en omdat hij zijn eigen feestjes altijd erg ongemakkelijk vindt, wil hij het dit jaar niet vieren. Hij wil met mij ‘iets leuks’ gaan doen. Naar een film en daarna ergens biefstuk eten bijvoorbeeld, zei hij. In plaats daarvan neem ik hem een weekend mee naar Parijs. Dat weet hij niet en ik vertel het hem ook pas op de dag van vertrek en ik ga er ook maar gewoon vanuit dat hij de website van z’n vader niet boeiend genoeg vindt om te bezoeken.

De reis was zo geboekt, het hotel duurde iets langer. Er zat ontzettend veel vol. Vooral de peperdure hotels waren nog beschikbaar en AirBnB staat me niet aan, dus ik moest een tijdje zoeken tot ik iets had gevonden dat zowel betaalbaar als (hopelijk) vrij is van gekke vlekken. De eerste paar hotels die ik zag bevonden zich allemaal in de buurt van Place de la République. Daar is natuurlijk nogal wat gebeurd, dus ik kan me goed voorstellen dat veel mensen liever even ergens anders gaan zitten. Ik vond er een leuk hotel, twee straten verwijderd van Bataclan. Ik had bijna geboekt, maar vond na nog een laatste zoekronde een veel leuker hotel op een locatie die ik eigenlijk ook veel leuker vind, net even om de hoek van het Louvre. Daar verblijven we straks.

Vorige week ontdekte ik plots waarom het dat weekend – denk ik – zo druk is in alle hotels. We gaan naar Frankrijk tijdens het EK voetbal en het weekend dat wij er zijn wordt in Parijs de achtste finale gespeeld. Een groot evenement in Parijs net wanneer wij er zijn. In het Stade de France.

Stade de France. Ik dacht direct aan de aanslagen van vorig jaar november. Aan de aanslag op Charlie Hebdo daarvoor. De meeste aanslagen waren in het 10de en 11de arrondissement. De plek waar ik bijna een hotel had geboekt. Ik was opgelucht dat ik daar niet zat, want wat als… Ik ben er niet alleen, ik ben er met m’n kind.

Ik dacht aan waar ik nu zat, hoe veilig zou dat zijn? Zou er iets kunnen gebeuren? Moest ik annuleren, een ander weekend kiezen? Moest ik het hele weekend in Parijs nu over m’n schouder blijven kijken? Op verdachte bewegingen letten? Zijn er delen van de stad waar ik misschien wel heel graag naartoe wil, maar die ik toch beter kan mijden? Op de hotelkamer blijven?

Dat doe ik allemaal niet, maar ik dacht het wel. Ik dacht het wel en ik vond het eng.

Heb ik nu de terroristen laten winnen?

Morgen mag hij weer groot zijn

Morgen mag hij weer groot zijn

Ik word wakker door een arm die stevig om me heen wordt gewikkeld. Zijn hoofd drukt zich in mijn borstkas. Hij voelt zich niet lekker, zegt hij. Ik kijk op de klok. Het duurt nog uren voor de wekker gaat. Blijf maar thuis, hoor ik mezelf zeggen.
Dat ging makkelijk. Voor ons was dat vroeger veel lastiger. Als we konden lopen, waren we niet ziek. Meestal waren we dat ook niet, maar het viel altijd te proberen. Ik denk niet dat hij het alleen maar probeert. Z’n voorhoofd gloeit een beetje, denk ik. Misschien is het wel gewoon de slaap waarin hij alweer is gevallen. Ik aai door z’n haar, het is lang. Mooi, vind ik het zo, sinds hij zelf besluit hoe hij het draagt. Hij is nu groot. Meestal ook te groot om zo bij me te komen liggen.
Het kan zijn dat hij niet zo ziek is als hij zich zegt te voelen, maar ik neem het risico niet. Niet sinds die keer dat ik vond dat hij gewoon naar school moest en ik hem niet veel later badend in het zweet weer uit de klas moest halen omdat hij echt enorm ziek bleek. Jaren geleden, maar ik voel me er nog altijd schuldig om. Dat draag ik sowieso lang met me mee als het om hem gaat. De week waarin ik hem in huis nam kwamen we ’s avonds laat aan op het station, hij moest plassen. Ik bracht hem naar het toilet in de hal met een ingewikkelde deur die ook nog eens heel zwaar is en dacht dat hij het binnen wel alleen af kon. Dat was niet zo. De deur bleek van binnen ook heel ingewikkeld en zwaar. Hij kreeg hem niet meer open en dat kon alleen van binnenuit. Het was laat en er was verder niemand met een noodsleutel of iets dergelijks. Er was überhaupt niemand. Ik hoorde hem door de zware deur heen huilen en ik kon niets anders doen dan door de deur tegen hem zeggen dat het wel goed zou komen en dat hij kalm moest blijven en net toen ik zeker wist dat we hier een hele nacht moesten doorbrengen en ik ongeschikt voor het ouderschap was, klonk er een klik en stond hij even later triomfantelijk uit te leggen dat er binnen een grote groene knop was waar je op moest drukken. Toch voel ik me nog steeds schuldig. Hij kan het zich niet eens herinneren. Ik aai door zijn haar, morgen mag hij weer groot zijn, vandaag hoeft het even niet.

De gelukszoeker

De gelukszoeker

the-black-sea-540x387Stevig houdt de tienjarige Amaani zich vast aan haar moeder. Op haar schoot heeft ze haar kleine broertje. Twee andere broertjes zitten huilend bij moeder op schoot. Ze hebben honger. Het is druk, de ruimte is afgeladen. Mensen huilen, schreeuwen, maken ruzie. Hier en daar verstaat Amaani wat er wordt gezegd, maar het merendeel is in talen die ze niet begrijpt. Naast Amaani zit een man, jonger dan haar moeder, maar een stuk ouder dan zij zelf. Zijn bezwete lijf schuurt tegen het hare. Hij kermt onophoudelijk. Zijn blote tenen zijn ernstig vergroeid en onder zijn vuile hemd is een minstens zo vuil verband zichtbaar. Ze wil er niet naar kijken, ze wil niet naar de mensen om haar heen luisteren. Ze probeert zich te concentreren op het geluid van klotsend water een paar centimeter achter haar. Het lukt niet.

Lees verder op Hard//hoofd

‘True To Myself’ van Eric Benét: Vooral niet doen wat anderen verwachten

‘True To Myself’ van Eric Benét: Vooral niet doen wat anderen verwachten

benetIk deed havo aan de rand van de stad, bijna twintig jaar geleden. Na schooltijd, soms tijdens, banjerde ik naar de platenzaak. Een beetje door het vinyl bladeren, hoewel ik toen al geen platenspeler meer bezat. Maar vooral ook je vingers langs de cd-hoesjes laten glijden. Een geoefende muziekbladeraar kon twee rijen cd’s tegelijk omver dominoën om te zien of er nog iets nieuws of interessants tussen zat. En dan met een stapeltje naar de toonbank en met koptelefoon op luisteren of het de moeite waard was. Een groot deel van mijn schamele supermarktsalarisje ging op aan cd’s. De meeste heb en luister ik nog. Soms ging het mis, zoals die keer dat ik twijfelde tussen de debuutalbums van Erykah Badu en Lutricia McNeal en met die laatste naar huis ging. Daar hebben we het niet meer over.

Lees verder op Nummer Van De Dag

Lodewijk II: een koning met een boybandhoofd en een sprookjeskastelenverslaving.

Lodewijk II: een koning met een boybandhoofd en een sprookjeskastelenverslaving.

007 Lodewijk IIMisschien heb je van ze gehoord, of ben je er zelfs wel eens geweest: de droomkastelen in de Duitse deelstaat Beieren. Slot Herrenchiemsee, Linderhof, Schachen, of het misschien wel beroemdste Neuschwanstein; het kasteel waarop het sprookjeskasteel van Doornroosje is gebaseerd. Dit laatste kolossale bouwwerk is een van de populairste toeristische attracties van Duitsland en trekt jaarlijks zo’n 1,3 miljoen bezoekers. Wat je wellicht niet weet, is dat al die prachtige paleizen zijn gebouwd in opdracht van een en dezelfde koning. Een koning die regeerde in een tijd waarin de Duitse deelstaten langzaam samenkwamen in het Duitse Rijk. Een koning die misschien niet helemaal goed bij z’n hoofd was, maar lang zo gek niet als men in die tijd deed geloven. Dit is het verhaal van Lodewijk II van Beieren, bijgenaamd ‘De Sprookjeskoning’.

Lees verder op Froot.nl

Hoe jazzvirtuoos Willie Hermans furore maakte in Amerika

Hoe jazzvirtuoos Willie Hermans furore maakte in Amerika

williehermansWillie ‘Boulder Bucksy’ Hermans komt op 1 mei 1936 in het Achterhoekse dorp Hummelo en Keppel ter wereld als Wilbert Hermenegildus Gregorius Hermans. Hij maakt al jong kennis met jazz en is vooral onder de indruk van het geluid dat de trompet voortbrengt. Op tienjarige leeftijd wordt hij onder de hoede genomen van jazzmuzikant en oorlogsveteraan Dexter Manzie die hem de kneepjes van het vak bijbrengt en hem zijn eerste trompet cadeau doet. Hermans vertrekt uiteindelijk vanuit Hummelo en Keppel via Rotterdam naar New York, waar hij het podium deelt met Dave Brubeck. In de nachtclubs waar hij optreedt, legt hij de basis voor wat uiteindelijk bekend zal staan als ‘Backhook Bebop’, een improvisatievorm waar menig jazzmuzikant zich door laat beïnvloeden.

Lees verder op TIJMmagazine.nl

Uitkering in gevaar door moestuintjes

Uitkering in gevaar door moestuintjes

Moestuintje-Albert-Heijn-3-300x300Bijstandsgerechtigden lopen kans gekort te worden op hun uitkering wanneer zij een moestuintje van Albert Heijn aannemen. Dat bleek woensdagmiddag in de Tweede Kamer na een voorstel van staatssecretaris Jetta Klijnsma.  Klijnsma liet weten weliswaar voorstander te zijn van de moestuin, maar gaf ook aan dat het aanleggen hiervan wel degelijk van invloed moet zijn op de hoogte van de uitkering.

Lees Meer Lees Meer

Gideon Pillow

Gideon Pillow

005 PillowDit is het verhaal van een van de slechtste generaals uit het Amerikaanse leger ooit

Hierboven zie je Gideon Pillow, geboren in Tennessee in 1806 en een succesvol advocaat in zijn thuisstaat. Zijn partner, James K. Polk, werd later de elfde president van de Verenigde Staten en stelde Pillow aan als brigadegeneraal van de militie van Tennessee. Toen in 1846 de Mexicaans-Amerikaanse oorlog uitbrak, gebruikte Pillow zijn presidentiële kruiwagen om brigadegeneraal te worden in het Amerikaanse leger. Een jaar later werd hij door Polk gepromoveerd tot generaal-majoor in het regiment van Winfield Scott, aanvoerder van de Amerikaanse strijdkrachten in Mexico.
Tot zover Pillows succesvolle carrière.

Lees verder op Froot.nl