Archief van
Auteur: Pascal Vanenburg

Hitam & Sinar

Hitam & Sinar

In Den Haag stond het grote huis. Het familiehuis. Het was het huis dat mijn overgrootvader* kocht nadat hij met de boot vanuit Indonesië in Nederland was aangekomen. Het huis waar een voor een de familieleden die met latere boten volgden hun intrek namen. Ook mijn moeder woonde er tijdelijk, nadat zij met mijn opa, oma en tante de tropen hadden moeten verlaten.

Toen ik het huis leerde kennen woonden zij er al lang niet meer. Mijn overgrootvader heb ik nooit ontmoet, van hem ken ik alleen de foto waarin hij in een fauteuil naar buiten kijkt. Schijnbaar in gedachten verzonken, misschien wel terug in Indië. Ik weet het niet, ik weet niets van hem. In het grote huis woonden mijn overgrootmoeder – omaatje – en mijn oudoom Boy en -tante Dolly, de broer en het zusje van mijn oma. En Hitam en Sinar, twee cocker spaniels. Honden met een Maleise naam, hoe kon het ook anders.

Hitam betekent zwart, Sinar licht. De kleuren van hun vacht. Hitam was de makke van het stel, degene die alle aandacht opeiste, in je gezicht likte als je te dichtbij kwam. Sinar was wat afstandelijker. Waar Hitam was, was Sinar. Maar zij was degene die haar tanden liet zien als ze er genoeg van had. Bijten deden ze overigens allebei nooit.

De keren dat ik het gevoel had deel uit te maken van een grote familie, waren in dat huis. Als we er waren, met feestdagen, en de woonkamer vol zat. Mijn Indische familie, mooie mensen. Luide stemmen, hard gelach. Warmte. Uit elke hoek die harde, Indische R. Waar ik mijn eerste, spaarzame Maleise woorden oppikte. ’s Avonds met zijn allen aan tafel, eten. In het grote huis, het huis dat ik in mijn herinneringen waarschijnlijk groter heb gemaakt dan het in werkelijkheid was. De familie die ik waarschijnlijk groter heb gemaakt dan zij in werkelijkheid was. Het huis waar ik het gevoel had onderdeel uit te maken van iets groters.

Als kleine jongen heb ik wat afgeknuffeld met vooral Hitam, maar toch ook wel met Sinar. Ze waren de perfecte bliksemafleider voor iemand die zich maar moeilijk raad weet bij sociale gelegenheden. Nog altijd praat ik op feestjes het liefst met het huisdier. Ik was dol op Hitam en Sinar en hun lange, pluizige oren.

Voor mijn oom Boy waren ze zijn troost, toen eerst zijn zusje en later ook zijn moeder overleed en hij alleen achterbleef in het grote huis. Het huis dat leger werd toen ook Hitam en Sinar niet verder konden. Ik weet niet meer wie het eerst ging, maar onafscheidelijk als ze altijd waren zat er weinig tijd tussen. Oom Boy, nu helemaal alleen, adopteerde de hond van een vriend uit Amerika, Tracy. Amper geland op Schiphol was Tracy al omgedoopt tot Trassie, hoe kon het ook anders.

De laatste keer dat ik het grote huis zag, is twintig jaar geleden. Toen ook oom Boy er niet meer was, was er geen aanleiding meer het grote huis te bezoeken. De familie heb ik sindsdien slechts een enkele keer gezien, elke keer een treurige aanleiding.

In IJmuiden, waar mijn oma woonde, speelde ik met een andere Hitam en Sinar. Twee hondjes, zwart en wit. Alleen waren deze twee een stuk kleiner. Ook hadden ze twee magneten; een in hun neus, en een in hun kont. Ze stonden bij mijn oma in de vensterbank. Met de neuzen tegen elkaar, of met de billen. Elke andere combinatie zorgde ervoor dat een van de twee zich omdraaide. Je kon de een niet aan de kont van de ander laten snuffelen. Ook met de kleine Hitam en Sinar heb ik vele uren doorgebracht.

De laatste keer dat ik in IJmuiden was, nu ruim een jaar geleden, was mijn oma er niet meer. In haar huis alleen nog de spullen die zij in de loop der jaren om zich heen verzameld had. Het meeste in dozen en kratten, klaar om opgehaald te worden door de kringloopwinkel. Op een tafeltje stonden ze, Hitam en Sinar. Te klein om in de dozen en kratten te stoppen. Onopvallend, vergeten.

Ik heb Hitam en Sinar in m’n zak gestopt en daarna een plek gegeven in mijn eigen woonkamer. Elke dag nemen ze me even mee terug in de tijd. Terug naar mijn oma. Ik hoor haar stem, ik ruik de geuren van haar huis. Maar ook terug naar het grote huis. De geuren, de geluiden. Naar omaatje, oom Boy, tante Dolly. En naar de rest van de familie die ik nu nauwelijks nog ken. Hitam en Sinar staan tegenwoordig altijd met de neuzen naar elkaar, liefkozend. Een laatste overblijfsel uit een tijd die me dierbaar is.

*Nadat m’n moeder dit las verbeterde ze een paar puntjes, vooral over het grote huis en wie er als eerste woonde. Dat bleek tante Dolly. Maar goed, het verhaal gaat uiteindelijk om de hondjes.


In maart verscheen mijn verhalenbundel ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’. Die bestel je o.a. hier.

Buitengesloten

Buitengesloten

Ik schrok van de deurbel.

Goed, nu schrik ik altijd wel een beetje van de deurbel, maar van deze nog iets meer. Het was namelijk de bel van m’n voordeur, en niet die van het gesloten portiek. Ik heb een klein raam in die voordeur, met luxaflex ervoor (die verkopen ze ook in heel kleine maatjes). Daar tuurde ik doorheen, maar ik zag niemand. Ik dacht dat het M. was die een grap uithaalde en stiekem om de hoek was gaan staan. Daar trapte ik mooi niet in, dus bleef ik stiekem staan gluren om de deur met een ruk open te maken zodra hij het nog een keer probeerde.

Big mistake.

Zodra ik weer een paar sneakers in beeld had (ik had echt heel slecht zicht) trok ik met een ruk de deur open. ‘Ha!’ zei ik. ‘Oei,’ zei m’n geschrokken bovenbuurman. Hij is nieuw, ik ken ‘m niet. Ik heb ‘m weleens gezien, maar ik dacht eigenlijk dat hij gewoon de bezoekende vader was van de jongen waar ik me kort geleden aan had voorgesteld.

M’n nieuwe buurman spreekt moeizaam Nederlands, ik denk dat ik het erger maakte door hem te laten schrikken. En hij was al een beetje overstuur. Dat zag ik niet, dat zie ik nooit, maar hij vertelde dat hij zichzelf had buitengesloten zonder telefoon, dus dat maak ik er gewoon uit op. Daarna stamelde hij nog iets zonder echt woorden te gebruiken en hopte wat heen en weer. Ik hoopte dat hij niet binnen wilde wachten op iemand, want ik moest werken en ik zat dus met die kaak en oké, ik hou niet zo van mensen. En het was nogal rommelig in huis ook.

Ik heb nog een buurvrouw die zichzelf ook altijd buitensluit. Van haar heb ik geleerd dat onze voordeuren nogal makkelijk te openen zijn met een pasje, de reden dat ik tegenwoordig nooit meer de deur uitga zonder het slot driedubbel om te draaien. ‘Ik weet wel een manier,’ mompelde ik moeizaam (die kaak!) tegen m’n buurman en pakte een pasje en sleutels (ik wel). Gaan we doen, dacht ik, hoewel ik zelf nog nooit een deur met een pasje had geopend.

Helaas, hij bleek nou net de enige in dit hele blok te zijn met zo’n anti-inbraakstrip. Hij keek beteuterd, ik ook. ‘Misschien kan ik vanaf jouw balkon klimmen,’ zei hij. We keken allebei naar de balkons, toen naar elkaar en het was duidelijk dat hij er meer vertrouwen in had dan ik. Wanhoop, denk ik. ‘Gaat misschien lukken,’ zei hij. ‘Gaat niet lukken,’ zei ik. En: ‘Ik heb ook liever niet dat u van mijn balkon valt.’ Misschien had dat minder lullig geklonken als ik “het balkon” had gezegd.

‘Misschien kan het via het dak,’ zei mijn buurman. We keken allebei omhoog. Hij woont op de bovenste van de drie woonlagen. ‘Ik denk het wel,’ zei ik, hoopvol. M’n kaak deed zeer, ik wilde naar binnen. Hij belde aan bij zijn buurman. Niemand. Ik probeerde te bedenken wie we konden bellen om die deur open te krijgen. ‘Misschien het andere portiek,’ zei m’n buurman enthousiast en ging vlot de trap. Hij zag het voor zich en ging ervoor, ik waardeerde dat.

De buurman had zichzelf buitengesloten toen hij bij de voordeur z’n afval aan het scheiden was. Laatst zag ik hem in het plantsoentje voor de deur zwerfvuil oprapen en in de prullenbak gooien. De buurman is een goeie vent, het ligt aan mij.

Beneden hoorde ik de portiekdeur dichtvallen. Daar heeft hij ook geen sleutel van, bedacht ik me. Even bleef ik op de overloop staan, was het de bedoeling dat ik achter hem aanging? Voor het geval dat. Ik ging naar binnen. Daar ruimde ik wat rotzooi op, voor het geval dat.


Meer lezen? Dat kan. Hier schrijf ik zeer onregelmatig, maar ik heb toevallig nét een boek uit.

Gedrocht

Gedrocht

Ik ben misvormd, mismaakt, malheureus. Ik ben Vincent uit Beauty & The Beast, ik ben the elephant man. Ik ben afgrijselijk, afzichtelijk, afstotelijk, ik ben een aberratie die het daglicht niet verdraagt. En het is allemaal de schuld van de kaakchirurg.

Recente foto

Toen ik een jaar of 15 was, moesten er hoektanden getrokken worden om m’n konijnengebit weer een beetje op z’n plek te drukken. Allemaal leuk en aardig, alleen werkte de verdoving slechts aan één kant. Het gevolg: een tandarts die onverdoofd aan een tand begon te rukken, ik die mezelf letterlijk in bochten wrong om uit die stoel te komen en een assistente die het briljante plan had opgevat om juist op dat moment m’n voeten beet te pakken en diezelfde voeten vol op haar lijf gestampt kreeg. Ik zweer dat ik het niet expres deed, maar ruimte voor medelijden had en heb ik niet. Sinds die dag mijd ik de tandarts als de pest en ga op zijn hoogst eens in de vijf jaar voor een controle. Ik heb nooit iets, moet ik daar wel bij zeggen.

Tot drie weken geleden.

Ergens halverwege de jaren 90 besloot een van mijn verstandskiezen niet lekker door te komen, maar gewoon een beetje te blijven liggen. Plat op z’n kant, één treiterig wit puntje boven het roze tandvlees uitstekend. Sindsdien had ik om de zoveel tijd last van die klootzak, maar nooit genoeg.

Tot drie weken geleden.

Na twee weken wachten tot het over zou gaan en als een boer met kiespijn twee interviews afwerken belde ik toch maar de tandarts, die me gelijk doorstuurde. Ik kwam er niet meer onderuit.

Bij de kaakchirurg lag ik in de stoel te wachten, terwijl ik aan alle kanten het zweet uit m’n lijf voelde gutsen. Klamme handjes, doorweekt shirt. De assistente verdoofde me vast en na een stuk of driehonderd keer een naald in m’n tandvlees te hebben geboord, prikte ze met een haakje om te testen of ik wel echt verdoofd was. Nee, verdomme, blijkbaar heeft dat spul bijzonder weinig vat op mij. Er moest een dubbele dosis aan te pas komen. Wachtend op de chirurg probeerde ze een praatje met me aan te knopen, omdat ze doorhad dat ik nogal lag te beven in die stoel. Onder de stoel een plasje angstzweet. Wat ik zoal deed, vroeg ze. Ik overwoog te zeggen dat ik net een boek had geschreven, maar deed het niet. Dan zou ze het omslag van dat boek voor eeuwig associëren met die jammerende bitch die daar in haar stoel lag.

Het duurde lang. Er werd geboord, gehakt, geduwd en getrokken. M’n halve kaak ging mee. Het lukte. Ik ging naar huis en zat de hele avond met ijs tegen m’n wang gedrukt. De volgende dag was de linkerkant van m’n gezicht een wanstaltige karikatuur van wat het eens was. Dat is het nog steeds. Ik kan niet meer naar buiten. De postbode bracht een pakketje en beschaamd deed ik de deur half open. ‘Niet naar me kijken, niet naar me kijken,’ riep ik, pakte het pakket aan en gooide gauw de deur weer dicht.

Ik ben een gedrocht, een monster, een duivelskind. Ik moet verhuizen. Mijn nieuwe thuis wordt oude rioleringsbuizen en verlaten metrostelsels in een wereldstad waar niemand me kent. Ik leef op soep, vla en appelmoes en maak vieze slurpgeluiden. Het is voor iedereen beter als ik onderduik. Het komt nooit meer goed.


Om mijn reis naar de riolering te bekostigen heb ik geld nodig. Koop daarom mijn boek, ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’.

Genieten

Genieten

Dinsdag 14 maart werd ik wakker met de gedachte: vandaag ligt m’n boek in de winkel. Ik had de dag vrijgehouden, want dat leek me wel toepasselijk. ‘Je moet van die dag genieten,’ werd me door meerdere mensen verzekerd, dus dat was ik van plan. Genieten. Maanden naartoe geleefd, genieten zou ik.

’s Ochtends had ik een afspraak bij de orthodontist met M. Hij moet misschien een beugel. Ik zie niet waarom, maar mensen die er meer verstand van hebben dan ik vinden van wel, dus wie ben ik om daar tegenin te gaan. De afspraak liep uit en dus deden we alleen de controle en verplaatsten we de röntgenfoto’s naar een andere dag. Die middag mocht ik namelijk in het programma van Roelof Hemmen op BNR wat vertellen over m’n boek en ik wilde niet te laat komen. Genieten.

Onderweg naar buiten, naar de auto, liepen we eerst nog even naar het station om de hoek. Daar zit een Ako en ik had zin om m’n boek eindelijk in een winkel te zien liggen. Genieten. In de Ako keek ik op de eerste tafel, maar daar lag-ie niet. Op de tafel ernaast ook niet en op de tafel daarnaast ook niet. Voor de zekerheid liep ik overal nog een keer langs, maar hij lag nergens. ‘Hij ligt wel in andere winkels hoor,’ lachte ik naar M, maar verliet de winkel met een steen in m’n maag.

Die steen zat er later die dag nog steeds toen ik buiten de studio van Hemmen zat te wachten tot het mijn beurt was. Een boek, het enige exemplaar dat ik tot dan toe gezien had, in een tasje. Dat boek had ik de week ervoor op televisie uitgepakt, bij Omroep Flevoland. Dat kan je hier terugkijken. Ik moest lang en veel vertellen en voorlezen en het meeste ervan is op de snijtafel blijven liggen. Maar goed ook. Bij Hemmen zou het niet lang duren. Dat wist ik al, omdat Henk er een dag eerder zat. Ik vertelde over m’n boek (vanaf 1:24) en hoorde mezelf zeggen ‘ja, vanaf vandaag in de winkel’ terwijl ik nog steeds met die steen in m’n maag rondliep. Vijf minuten later stond ik weer buiten. In de parkeergarage deed het uitrijkaartje het niet.

Thuis ging ik gamen. Ondertussen checkte ik berichtjes. Vrolijke foto’s van bekenden die het boek online hadden besteld en ‘m hadden ontvangen. Tussendoor berichtjes van mensen die naar een winkel waren gegaan en te horen kregen dat ze ‘m daar niet hadden. Er kwamen nog wat stenen bij. De rest van de dag wachtte ik zonder te weten waarop. Er kwam niets meer. Die avond at ik met een beste vriend bij een pizzeria in de stad. Genieten. Hij had z’n collega aangeraden m’n boek te kopen. Ze was er speciaal voor naar de winkel gegaan, maar ze hadden ‘m niet.


Het is goedgekomen. ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’ ligt vrijwel overal in de winkel (behalve bij Bruna en Primera). Online bestellen kan ook.

Veiligheid

Veiligheid

Veiligheid. Ook dit jaar staan de verkiezingsprogramma’s van de diverse partijen er weer vol mee. Veiligheid in de wereld, tegen de dreiging van terrorisme uit het Midden-Oosten en de Russen.

Maar vooral ook veiligheid in Nederland. Want veilig, dat zijn we in Nederland niet meer, tenminste, dat zou je haast denken, als je de grootste schreeuwers in de politieke arena moet geloven. Burgers voelen zich niet veilig, politici voelen zich niet veilig.

Geert Wilders, de grootste schreeuwer op het Haagse schoolplein voelt zich deze week extra onveilig vanwege een mol binnen het politieapparaat die een zwakke plek in de beveiliging had verklapt. Ja, tegen twee vriendinnen, maar dat doet er niet toe. Wilders doet niet meer mee. Had hij de debatten al afgezegd, stopt hij nu ook nog eens met flyeren. De weergaloze opkomst in Spijkenisse was blijkbaar niet voor herhaling vatbaar, dat komt mooi uit.

Maar er zijn er meer die zich onveilig voelen, veel meer. Namelijk mensen met een migratieachtergrond, zoals we tegenwoordig zeggen, en moslims in het bijzonder. Zij voelen zich onveilig omdat zij massaal verantwoordelijk worden gehouden voor de onveiligheid die er zou zijn. Al jaren zijn zij het slachtoffer van agressie, verbaal en steeds vaker ook fysiek. Nu Geert Wilders met zijn PVV zomaar de grootste kan worden op 15 maart, zijn er steeds meer streepje-Nederlanders die een plan B maken. Nederlanders, vaak hier geboren en getogen. Gestudeerd, werkend. Zij maken nu plannen om het land te verlaten omdat zij de veiligheid van henzelf en hun naasten niet meer zeker zijn. En daarover gaat het deze verkiezingen dan weer veel te weinig.


Vanaf 14 maart ligt m’n boek ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’ in de winkels. Reserveren kan alvast, bijvoorbeeld hier

Joost en het laatste bastion

Joost en het laatste bastion

‘Bismillah’
Mo en Rachid trekken de wollen mutsen stevig over hun hoofd. Alleen de ogen zijn nog vrij en en er is een kleine opening bij de mond om adem te kunnen halen. Of om een sigaret te roken. Maar Mo en Rachid roken niet, ook niet vanavond, nu alles staat of valt met hun geplande actie en de zenuwen door hun beider lijf gieren.

‘Verman jezelf, a sahbi,’ zegt Mo. Hij slaat zijn partner stevig tegen de zijkant van zijn schouder. ‘Blijf kalm, doe gewoon precies hoe we het hebben voorbereid.’ Rachid knikt. Onzichtbaar onder de wollen muts staat het zweet op zijn voorhoofd en bovenlip. Hij voelt de druppels in zijn snor. Hij rilt een beetje en vraagt zich af of Mo het ziet. Het is de eerste keer dat hij is gekozen voor een missie en het is meteen een belangrijke. Het slotakkoord van een langdurige, zorgvuldig uitgevoerde actie. Mo is door de leiders al vaker uitgekozen, hij niet. Hij wil alles goed doen. Voor hen, voor de broeders, maar vooral voor Het Plan.

Ze staan met hun rug tegen de muur van een elektriciteitshuisje. Mo op de hoek, Rachid er pal naast. Mo tuurt om de hoek, het donker in. Daar, dat vrijstaande huis met het groene tuinhekje. Als de inlichtingen kloppen, is dat het laatste doelwit. Mo drukt een knopje op zijn Casio horloge in. Het schermpje licht blauw op. Het is nu precies anderhalf uur geleden dat het licht achter het slaapkamerraam uit ging. ‘Dit moet genoeg zijn, inshallah.’ Rachid knikt, hij wil niks zeggen omdat hij bang is dat hij door zijn zenuwen te hard praat en zijn stem door de stille straat zal galmen. Of nog erger, dat Mo merkt hoe nerveus hij is.

Mo gaat voor. Op een halve draf gaat hij de straat in, zijn rug gebogen, zijn nek ingetrokken. Hij blijft dicht bij de heg langs de stoep. Rachid volgt hem op de voet. Als ze bij het hek zijn aangekomen kijken ze nog eens goed rond, maar om hen heen is het het nog altijd leeg en stil. Dan springen ze over het hek en landen geruisloos in het gras. Ze weten precies waar ze moeten lopen om uit het zicht van de lichtsensor bij de voordeur te blijven. In het pikkedonker bereiken ze een klein raampje, het toilet. Het staat altijd open, stond in het dossier. Het klopt. Het is maar een klein raam, te klein voor het ronde lijf van Mo, maar Rachid past er met zijn kleine, magere lijf net doorheen. Mo doet zijn rugtas af, haalt er een schroevendraaier uit en heeft in een mum van tijd het raam losgeschroefd van het scharnier.

‘Jouw beurt,’ fluistert hij en gaat met zijn rug tegen de muur onder het raam staan, zijn gehandschoende vingers verstrengeld voor zijn buik. Rachid stapt op, wipt het raampje omhoog en gluurt naar binnen. Dan steekt hij zijn hoofd naar binnen, duwt zijn schouders er achteraan. Hij voelt de stortbak, pakt die voorzichtig aan beide kanten beet en trekt zichzelf zo naar binnen. Buiten houdt Mo Rachid’s voeten vast en helpt hem zo te voorkomen dat hij in één keer naar binnen kukelt. Rachid schrikt even als hij een voet op de grond zet en daarbij een toiletborstel omschopt. De plastic steelt raakt de tegelvloer en in het kleine kamertje klinkt het als een hels kabaal. Roerloos blijft hij zitten. In het huis blijft het doodstil.

Voorzichtig opent Rachid de deur en kijkt de gang in. Zijn hart bonkt inmiddels in zijn keel en als hij geen handschoenen zou dragen, zou hij op alles wat hij aanraakte klamme zweetplekken achterlaten. Hij stapt de gang in, op de witte plavuizen maken zijn zwarte Air Max schoenen geen enkel geluid. Toch loopt hij op zijn tenen. Naar de meterkast, draait het sleuteltje om, maakt de deur open en zoekt. Daar, die stekker moet het zijn, van de lichtsensor buiten. Hij pakt de stekker, maar omdat Rachid zo voorzichtig doet, wil die wil er maar amper uit. Tsjak. Los. De wollen muts moet inmiddels doorweekt zijn van het zweet. Het voelt als een ijskoude lap op het voorhoofd van Rachid. We zijn er bijna, zegt hij in zichzelf en haalt de voordeur van het slot en maakt die open. Voorzichtig zet hij een voet buiten de deur. Het licht springt niet aan. Rachid reikt wat naar voren en zwaait. Uit de schaduw komt Mo aangesneld. Als hij voor Rachid staat tikt Mo met zijn vlakke rechterhand even op zijn hart. Goed gedaan, broeder.

Met z’n tweeën sluipen ze de gang weer in. Aan het einde van de gang, bij het trapgat, blijven ze even staan. Ze luisteren. Er is niets dan doodse stilte. Iedereen in huis slaapt, dat kan niet anders. Nu doorzetten. Mo opent de deur naar de woonkamer, het glas in de deur rinkelt een beetje als hij de deurklink naar beneden drukt. Rachid zou het liefst omdraaien en wegrennen, maar dan zou hij de rest van zijn leven moeten onderduiken. Niets mag immers Het Plan in de weg staan en voor verraders is geen genade. En hij wil Het Plan ook uitvoeren, hij wil het echt.

In een hoek van de kamer zien ze hem staan. In het flauwe schijnsel van de maan werpt de boom een wazig silhouet op de muur. ‘Astaghfirullah,’ mompelt Mo. Rachid knarst met zijn tanden. Allebei voelen ze diepe haat opborrelen, maar dit is niet het moment. Ze stappen op de boom af, bukken en pakken die ieder aan een kant onder bij de stronk vast. Rechtop houden, dat maakt het minste geluid. Rustig lopen, niets laten vallen. Het loopt ongemakkelijk, zo diep voorovergebogen dat de onderkant van de boom slechts een centimeter boven de grond getild wordt. Zo lopen ze naar de voordeur. De boom is niet heel hoog, maar wel net wat te breed. Als Mo en Rachid de tuin instappen, buigen de onderste takken om tegen de deurpost. Dun glas spat uiteen op de plavuizen en op de tegels voor de voordeur. Alle lichten blijven uit, niemand wordt wakker. Eenmaal buiten rechten Mo en Rachid hun rug wat het lopen vergemakkelijkt. Zodra ze weer over het hek gestapt zijn zetten ze het op een lopen. De straat uit, voorbij het elektriciteitshuisje, naar het lege veldje waar hun pick-up staat. Ze smijten de boom achterin, het gerinkel van het glas deert hen hier niet meer. De mannen trekken de mutsen af en deppen breed lachend hun voorhoofd. ‘Dit was ‘m, broer, de allerlaatste,’ glundert Mo. ‘Allahu akbar,’ zegt Rachid alleen maar. ‘Allahu akbar,’ herhaalt Mo.

Badend in het zweet komt Joost recht overeind. Zijn laken en hoofdkussen zijn doordrenkt van het zweet. Zijn hart gaat als een gek tekeer en zijn adem schokt. Verdwaasd kijkt hij in het rond. Hij is gewoon thuis, in zijn slaapkamer. Het is nog vroeg in de ochtend, maar achter het gordijn komen de eerste zonnestralen de kamer al in. Joost zwaait zijn benen over de rand van het bed en steekt zijn voeten in zijn slippers. In zijn onderbroek loopt hij de kamer uit, de trap af, de woonkamer in. Hij staat er nog. Zijn boom staat er nog. Hij bukt voorover om een stekker van de vloer te pakken. Zijn rug kraakt, de jaren beginnen te tellen. Hij drukt de stekker in het verlengsnoer en de lampjes lichten op. De boom is bruin en kaal, maar de lampjes branden nog altijd even fel en van de zilveren slingers is geen glinstering verloren gegaan.

Op zijn slippers schuifelt Joost naar het raam. Hij hoest een paar keer, een stevige brok slijm die al dagen vast lijkt te zitten in  zijn keel. Bij het raam steekt hij zijn duim en wijsvinger tussen twee lagen van de luxaflex. Het aluminium knakt als hij ze uit elkaar trekt. Hij gluurt naar buiten. Het is eind juli en Joost voelt zelfs op dit vroege tijdstip de hitte aan de andere kant van het raam die in de loop van de dag alleen nog maar erger zal worden. Joost tuurt van links naar rechts en weer terug. Er is niemand buiten. Hij hoest weer en laat de luxaflex los. Dan laat hij zich in een fauteuil zakken en krabt wat aan zijn buik. Hij kijkt naar de lampjes in de boom. ‘Ze krijgen m’n Kerst niet,’ zegt hij half mompelend. ‘Nooit.’

 


Volgend jaar komt mijn verhalenbundel uit. Het heet ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’ en ligt vanaf 14 maart in de winkel. Koop het gerust! Ik heb er zelf ook een.

2016

2016

In januari overleed m’n oma, de enige die ik nog had. Veel slechter had het jaar niet kunnen beginnen. Ik mis haar nog steeds.

En als afsluiter van het jaar had ik ook wel wat leukers kunnen bedenken dan dat auto-ongeluk, maar soit, iedereen is er zonder kleerscheuren vanaf gekomen. En ik heb een keer soit kunnen schrijven in een stukje.

De rest van 2016 was eigenlijk best wel een goed jaar. Voor mij dan, voor de rest van de wereld was het uitermate ruk. Verwoestende oorlogen met ontelbare slachtoffers als gevolg, de een na de andere geliefde celebrity die ging hemelen, Donald Trump die straks president van Amerika mag spelen en Patty Brard en Roy Donders die samen een kerstnummer opnemen. Genoeg redenen om eens aan alcoholisme te beginnen, zou je zeggen.

Chillen, ouwe

Maar voor mij dus niet. En dat mocht ook wel eens een keer, al zeg ik het zelf. M’n contract bij de beste omroep van Nederland werd maar weer eens verlengd. Ik kon m’n zoon op zijn verjaardag verrassen met een lang weekend Parijs om zo samen met hem de misschien wel mooiste stad ter wereld te herontdekken. Kort daarop zaten we een paar weken op het prachtige Gozo geen klap uit te voeren. Lekker!

Hier teken ik m’n contract. Kijk mij en redacteur Hans eens shinen dan

Het allermooiste kwam misschien wel vlak na die vakantie: ik tekende een contract bij Kosmos en in maart van 2017 komt m’n boek uit. Het is een bundel met geschiedenisverhalen en heet ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’. Er is ook al een omslag, maar dat laat ik pas zien als het definitief is (hij is mooi!). En het wordt een koopje, dus je hoeft er ook niet voor te sparen of zo. Gewoon een keer die frikandel speciaal laten staan en in plaats daarvan m’n boek kopen.

En A Tribe Called Quest dropte een nieuw album, wat misschien wel het beste album van het millennium is (maar in elk geval van dit jaar). Dat is verder niet echt een persoonlijk hoogtepunt, maar ik vind dat je elke gelegenheid moet aangrijpen om te vertellen hoe goed dat album is.

Als afsluiting volgt hier een gedicht:

2016 was oké
(olé, olé)
Ik ga een oudjaarslot kopen
Misschien wel twee

Discobowlen

Discobowlen

Wat het nog eens extra vervelend maakt, is dat ik daar helemaal niet hoorde te rijden. Niet daar en niet op dat tijdstip. Ik reed per ongeluk de afslag naar de ring voorbij, waarna ik besloot niet te keren, maar gewoon binnendoor te rijden. De rit duurt even lang en omdat ik m’n ruiten eerst had moeten ontdooien, waren we ook al bijna tien minuten later vertrokken dan gepland.

Het is donker, maar helder. Het regent een beetje, maar het was niet glad. Naast me zit hij druk te appen met de vrienden met wie hij straks de hele avond op een verjaardagsfeestje zal zijn. Discobowlen. Tussendoor hebben we het over het boek dat bijna verschijnt en dat als genoeg mensen het kopen, we misschien wel een iets nieuwere auto kunnen halen dan het o zo betrouwbare, maar niet al te charmante oude karretje waarin we rijden. ‘Nee, geen BMW.’

Het moment daarop gaat in slow motion, precies zoals in de verhalen die je hoort, maar die me altijd wat overdreven leken.

Ik had haar wel gezien. Ze reed rustig op tot aan de haaientanden, niets aan de hand. Maar vlak voor we er voorbij waren steekt ze ineens de weg over. Ik gooi het stuur om en stamp vol op de rem, terwijl ik mijn rechterarm voor hem gooi als een soort extra gordel. Ondanks een enorm arsenaal aan scheldwoorden, smijt ik er in dat ene moment alleen een hard ‘Nee!’ uit. Toch nog een dun laagje beschaving.

Eerst is er de klap die minder luid is dan je zou denken, meer als iemand die een autoportier gewoon veel te hard dicht gooit. Tegelijkertijd ook het geknisper van glas dat in kleine stukjes uit elkaar spat. Voor me zie ik de motorkap van mijn auto losschieten en opkrullen. Aan de andere kant van die motorkap zie ik haar. Als in: ik zie lange haren rondzwiepen op een hoofd en een lijf dat opzij wordt geknald. De auto die ik raak draaide 180 graden en belandt voorbij de middenberm op de andere rijbaan.

Daarna is het stil.

Ik vraag of hij in orde was en hij bevestigt, haast alsof er eigenlijk niets gebeurd is en ik een stomme vraag stel. Ik controleer zijn gezicht, z’n benen. Alles lijkt inderdaad in orde te zijn. Dan pas viel me de geur op. In de auto, indringend, bekend, maar mijn hersenen kunnen op dat moment niet bepalen of het olie is of benzine. Aan de voorkant stijgt dunne rook op vanonder de misvormde motorkap.

Zo snel mogelijk uitstappen. Hem uit die auto halen. Dat blijkt nog lastig, want het portier aan de bestuurderskant gaat nauwelijks nog open. Lichtelijk in paniek weet ik ‘m ver genoeg open te beuken om mezelf er tussenuit te wurmen. Onderweg naar de andere kant van de auto hoor ik haar naar me roepen. ‘Sorry, ik zag je niet’. ‘Flikker op,’ bijt ik terug. Een kutopmerking, maar ik had even andere dingen aan m’n hoofd. Weg laagje beschaving. Zijn portier gaat wel open, dus ik trek hem eruit en plant hem veilig in de middenberm, waar hij rustig doorgaat met appen.

Eerst bel ik m’n moeder die niet te ver weg woont. Zodra ze opneemt zeg ik dat ik een auto-ongeluk heb gehad, waar ik sta en dat ze hem moet komen halen omdat hij naar een verjaardagsfeestje moet. Daarna bel ik de politie, want volgens mij heeft nog niemand dat gedaan.

Dan valt me de chaos op de weg pas op. Aan de kant waar haar auto nu staat valt het mee. Er is daar één auto gestopt en de bestuurder is uitgestapt. Achter mijn auto is het een stuk drukker. De man die achter mij reed heeft zijn busje in de berm gezet en staat het verkeer te regelen. Mensen zijn geïrriteerd zie ik als ze voorbij rijden. Wie heeft er dan ook het gore lef om een ongeluk te krijgen. Ik voel me een beetje schuldig. Vanwege de opstopping, maar meer nog wanneer ik haar nog eens goed bekijk. Ze is nog heel jong, tranen lopen over haar wangen. ‘Ik deed het niet expres,’ zegt ze. ‘Weet ik,’ antwoord ik. Allebei kijken we naar wat er over is van onze auto’s. Om ons heen rijdt het verkeer door.

(Bovenstaande foto heb ik gejat van HV-Almere. Als je goed kijkt zie je mijn kapotte auto staan. Als jullie na 14 maart allemaal mijn boek aanschaffen, kan ik een nieuwe auto kopen.)

Acht jaar samen

Acht jaar samen

Precies acht jaar geleden reed ik naar Drenthe. De weg die ik zo vaak had afgelegd dat ik ‘m met m’n ogen dicht kon rijden. De A6 naar Lelystad, daar afbuigen naar Harderwijk, de A28 tot voorbij Zwolle, dan de A37 naar Emmen. ’s Avonds laat of ’s ochtends vroeg in het weekend kon je vanaf Zwolle flink gas geven. Het is normaliter bijna twee uur rijden, maar m’n record staat op vijf kwartier. Precies acht jaar geleden had ik geen haast. Het was vrijdagochtend en ik was sowieso wat vroeg en ik zou deze weg voorlopig niet meer hoeven rijden.

Op de achterbank een grote plastic bak tot aan de nok gevuld met kartonnen verhuiswagentjes. De avond ervoor met een vriendin in elkaar gevouwen. Ik was blij dat ze me was komen helpen, want toen ik ze bestelde ging ik er vanuit dat ze kant en klaar werden geleverd. Dat ik ze alleen nog hoefde te vullen met een speeltje en wat snoep, niet dat ik ze ook nog moest uitknippen, vouwen en lijmen. Tweeëndertig stuks.

Een paar uur later legde ik de weg in tegengestelde richting weer af. De kofferbak gevuld met twee koffers en wat speelgoed. De plastic bak had ik achtergelaten, op die plek zat hij nu. Via de achteruitkijkspiegel zocht ik steeds z’n ogen en iedere keer dat ik ze vond schaterde hij het uit. ‘Nu woon ik echt bij jou, hè?’ vroeg hij. Ik antwoordde bevestigend. Daarna stopte ik op de parkeerplaats van het eerste de beste benzinestation om hem nog maar eens heel stevig vast te houden.

Hij woonde altijd al bij mij. Maar waar het eerst alleen in de weekeindes en vakanties was, zou hij er nu elke dag zijn. Een jarenlange strijd was voorbij. Ik had er m’n baan voor opgegeven, maar dat was het meer dan waard. Of nou ja, opgegeven, ingeruild voor iets anders. Dichterbij huis. Zodat ik hem elke dag in zijn nieuwe klas kon afzetten en elke dag zo snel mogelijk weer ophalen. Die haastig gekozen nieuwe baan moest ik kort erop weer inruilen. Van een redelijk salaris, naar wat minder, naar weer wat minder. Van een mooie auto, naar een klein autootje, naar geen auto. Maar dat maakte niks uit. Ik bleef bij hem in de buurt.

Die eerste schooldag waarop hij midden in de sinterklaasvieringen was ingestroomd en het gebouw zingend uitkwam met een vilten schoorsteen op z’n hoofd. De zwemlessen, week in week uit, waar maar geen einde aan leek te komen. De blijdschap bij het toch maar halen van het diploma (en daarna nog een). De eerste voetbaltraining, de eerste wedstrijd. De trainingen waarbij de ijsbloemen op m’n oogbollen stonden, de wedstrijden waarbij ik in de stromende regen m’n best deed toch nog te juichen voor weer een pak slaag. Ik week twee weken niet van zijn zijde toen hij in het ziekenhuis belandde en het er allemaal slecht uitzag. Maar hij krabbelde weer op en werd sterker en sterker. Groter en groter.

De afgelopen jaren zijn voorbij gevlogen. Van een kleuter die nog druk was z’n naam te leren schrijven, tot een puber met praatjes. We spelen nog steeds elke dag samen. Alleen hebben we de bakken LEGO en Playmobil en de speeltuin in het park ingeruild voor de Playstation en FIFA. Hij wint tegenwoordig zelfs zo nu en dan zonder dat ik ‘m láát winnen. En we kijken samen films en series, we hebben nagenoeg dezelfde smaak. En als niemand kijkt vergeet hij soms dat hij al zo groot is en pakt dan toch gewoon ouderwets m’n hand.
We praten over wat hij wil studeren en wat hij later wil worden. Eerst was het ‘iets met games en robots’, nu is het rechten. En hij wil naar Amerika verhuizen. ‘Maar dan moet je wel mee.’

Het was niet altijd makkelijk, in m’n eentje. Maar de momenten dat het allemaal net even wat minder ging, was hij er altijd om me eraan te herinneren waarom ik het doe en om me te motiveren toch vooral door te zetten. Precies acht jaar geleden nam m’n leven een compleet andere wending, maar ik had het voor geen goud willen missen.

 

Twijfel

Twijfel

Terwijl de redacteur zich buigt over de tienduizenden woorden die ik hem heb gestuurd, is bij mij het Grote Twijfelen toegeslagen. Had ik dit allemaal niet veel beter kunnen vertellen? Leuker? Mooier op kunnen schrijven? En heb ik eigenlijk wel alles verteld had ik had willen vertellen? Moeten vertellen? En maak ik mezelf er niet te makkelijk vanaf door straks juist met dít boek op de proppen te komen? Ik bedoel, ik wilde verdorie toch schrijver zijn, moet ik dan niet ten minste met een roman debuteren in plaats van een verhalenbundel die, ok, heus wel leuk is, maar misschien ook niet.

Ik bedoel, Reve debuteerde met de fucking Avonden. Niet dat ik mezelf graag wil spiegelen aan Eén van De Grote Drie, maar aan de andere kant: je moet die lat toch érgens neerleggen, waarom dan niet gewoon lekker hoog. Heb je er ook geen last van als je besluit om er maar gewoon onderdoor te wandelen. Moet je alleen niet steeds omhoog blijven kijken.

Het is ook allemaal een beetje de schuld van het verhaal dat mijn debuut had moeten worden. Het boek-dat-geen-boek-wilde-worden. Een nogal lijvig werk dat na enkel jaren(!) van schrijven, schrappen, herschrijven en weer opnieuw beginnen gewoon geen reet aan was, waarna ik het in de prullenbak flikkerde.

Daarop volgde een periode die niet bijzonder zonnig was. Niet per se door dat mislukte schrijfwerk, maar het hielp ook niet. In die periode schreef ik niks. Voor mezelf dan, voor klanten wist ik er met pijn en moeite nog wel wat uit te persen. Niet m’n beste werk. De lol was er compleet vanaf, ik had mezelf kapot getwijfeld op dat gebied.

Die lol kwam pas weer terug toen ik een begin maakte met de verhalen die nu uiteindelijk een boek hebben gevormd. Een boek dat straks daadwerkelijk in de winkel ligt. Dat vooruitzicht is er een om van te gaan jubelen en tegelijkertijd om ergens weg te kruipen, want wat als. Wat als helemaal niemand dat ding wil hebben. Dan kan ik twee dingen doen: vooral doorrrrgaan, of net als Alco van Puffelen eropuit trekken en aan een compleet nieuwe missie beginnen.

‘Wie?’

vlaanderen-200x300Dat moet ik misschien even uitleggen. Alco van Puffelen liet alles vallen en trok met zijn rolkoffertje naar België om daar een complete nieuwe betekenis aan zijn leven te geven. Om een reden te vinden opnieuw trots op zichzelf te zijn. Hoe? Door Nederland en Vlaanderen weer te herenigen. Dat alles met een dosis zelfvertrouwen om u tegen te zeggen (en een Congolees met dwerggroei genaamd Stan). En o ja, Alco van Puffelen is de hoofdpersoon in De verovering van Vlaanderen, de nieuwste roman van Stefan Popa.

God, wat zou ik graag schrijven als Stefan Popa, zodat ik zou weten dat het allemaal wel goed zit. Je moet De Verovering van Vlaanderen lezen, dat is het allerleukste boek van dit jaar.

Trouwens,  vergeet maar wat ik in de eerste alinea’s schreef. Je moet mijn boek ook kopen, want dat is het leukste boek van vólgend jaar (ik vertel je er binnenkort meer over). Koop er maar gelijk een aantal. Voor jezelf, voor vrienden en familie en geef er een aan een vreemde op straat. Zo leer je nog eens iemand kennen. En het is goed voor mijn zelfvertrouwen en dat is ook wat waard, toch? Toch?