Acht jaar samen

Acht jaar samen

Precies acht jaar geleden reed ik naar Drenthe. De weg die ik zo vaak had afgelegd dat ik ‘m met m’n ogen dicht kon rijden. De A6 naar Lelystad, daar afbuigen naar Harderwijk, de A28 tot voorbij Zwolle, dan de A37 naar Emmen. ’s Avonds laat of ’s ochtends vroeg in het weekend kon je vanaf Zwolle flink gas geven. Het is normaliter bijna twee uur rijden, maar m’n record staat op vijf kwartier. Precies acht jaar geleden had ik geen haast. Het was vrijdagochtend en ik was sowieso wat vroeg en ik zou deze weg voorlopig niet meer hoeven rijden.

Op de achterbank een grote plastic bak tot aan de nok gevuld met kartonnen verhuiswagentjes. De avond ervoor met een vriendin in elkaar gevouwen. Ik was blij dat ze me was komen helpen, want toen ik ze bestelde ging ik er vanuit dat ze kant en klaar werden geleverd. Dat ik ze alleen nog hoefde te vullen met een speeltje en wat snoep, niet dat ik ze ook nog moest uitknippen, vouwen en lijmen. Tweeëndertig stuks.

Een paar uur later legde ik de weg in tegengestelde richting weer af. De kofferbak gevuld met twee koffers en wat speelgoed. De plastic bak had ik achtergelaten, op die plek zat hij nu. Via de achteruitkijkspiegel zocht ik steeds z’n ogen en iedere keer dat ik ze vond schaterde hij het uit. ‘Nu woon ik echt bij jou, hè?’ vroeg hij. Ik antwoordde bevestigend. Daarna stopte ik op de parkeerplaats van het eerste de beste benzinestation om hem nog maar eens heel stevig vast te houden.

Hij woonde altijd al bij mij. Maar waar het eerst alleen in de weekeindes en vakanties was, zou hij er nu elke dag zijn. Een jarenlange strijd was voorbij. Ik had er m’n baan voor opgegeven, maar dat was het meer dan waard. Of nou ja, opgegeven, ingeruild voor iets anders. Dichterbij huis. Zodat ik hem elke dag in zijn nieuwe klas kon afzetten en elke dag zo snel mogelijk weer ophalen. Die haastig gekozen nieuwe baan moest ik kort erop weer inruilen. Van een redelijk salaris, naar wat minder, naar weer wat minder. Van een mooie auto, naar een klein autootje, naar geen auto. Maar dat maakte niks uit. Ik bleef bij hem in de buurt.

Die eerste schooldag waarop hij midden in de sinterklaasvieringen was ingestroomd en het gebouw zingend uitkwam met een vilten schoorsteen op z’n hoofd. De zwemlessen, week in week uit, waar maar geen einde aan leek te komen. De blijdschap bij het toch maar halen van het diploma (en daarna nog een). De eerste voetbaltraining, de eerste wedstrijd. De trainingen waarbij de ijsbloemen op m’n oogbollen stonden, de wedstrijden waarbij ik in de stromende regen m’n best deed toch nog te juichen voor weer een pak slaag. Ik week twee weken niet van zijn zijde toen hij in het ziekenhuis belandde en het er allemaal slecht uitzag. Maar hij krabbelde weer op en werd sterker en sterker. Groter en groter.

De afgelopen jaren zijn voorbij gevlogen. Van een kleuter die nog druk was z’n naam te leren schrijven, tot een puber met praatjes. We spelen nog steeds elke dag samen. Alleen hebben we de bakken LEGO en Playmobil en de speeltuin in het park ingeruild voor de Playstation en FIFA. Hij wint tegenwoordig zelfs zo nu en dan zonder dat ik ‘m láát winnen. En we kijken samen films en series, we hebben nagenoeg dezelfde smaak. En als niemand kijkt vergeet hij soms dat hij al zo groot is en pakt dan toch gewoon ouderwets m’n hand.
We praten over wat hij wil studeren en wat hij later wil worden. Eerst was het ‘iets met games en robots’, nu is het rechten. En hij wil naar Amerika verhuizen. ‘Maar dan moet je wel mee.’

Het was niet altijd makkelijk, in m’n eentje. Maar de momenten dat het allemaal net even wat minder ging, was hij er altijd om me eraan te herinneren waarom ik het doe en om me te motiveren toch vooral door te zetten. Precies acht jaar geleden nam m’n leven een compleet andere wending, maar ik had het voor geen goud willen missen.

 

Reageren is niet mogelijk.