Archief van
Maand: april 2017

Hitam & Sinar

Hitam & Sinar

In Den Haag stond het grote huis. Het familiehuis. Het was het huis dat mijn overgrootvader* kocht nadat hij met de boot vanuit Indonesiƫ in Nederland was aangekomen. Het huis waar een voor een de familieleden die met latere boten volgden hun intrek namen. Ook mijn moeder woonde er tijdelijk, nadat zij met mijn opa, oma en tante de tropen hadden moeten verlaten.

Toen ik het huis leerde kennen woonden zij er al lang niet meer. Mijn overgrootvader heb ik nooit ontmoet, van hem ken ik alleen de foto waarin hij in een fauteuil naar buiten kijkt. Schijnbaar in gedachten verzonken, misschien wel terug in IndiĆ«. Ik weet het niet, ik weet niets van hem. In het grote huis woonden mijn overgrootmoeder – omaatje – en mijn oudoom Boy en -tante Dolly, de broer en het zusje van mijn oma. En Hitam en Sinar, twee cocker spaniels. Honden met een Maleise naam, hoe kon het ook anders.

Hitam betekent zwart, Sinar licht. De kleuren van hun vacht. Hitam was de makke van het stel, degene die alle aandacht opeiste, in je gezicht likte als je te dichtbij kwam. Sinar was wat afstandelijker. Waar Hitam was, was Sinar. Maar zij was degene die haar tanden liet zien als ze er genoeg van had. Bijten deden ze overigens allebei nooit.

De keren dat ik het gevoel had deel uit te maken van een grote familie, waren in dat huis. Als we er waren, met feestdagen, en de woonkamer vol zat. Mijn Indische familie, mooie mensen. Luide stemmen, hard gelach. Warmte. Uit elke hoek die harde, Indische R. Waar ik mijn eerste, spaarzame Maleise woorden oppikte. ’s Avonds met zijn allen aan tafel, eten. In het grote huis, het huis dat ik in mijn herinneringen waarschijnlijk groter heb gemaakt dan het in werkelijkheid was. De familie die ik waarschijnlijk groter heb gemaakt dan zij in werkelijkheid was. Het huis waar ik het gevoel had onderdeel uit te maken van iets groters.

Als kleine jongen heb ik wat afgeknuffeld met vooral Hitam, maar toch ook wel met Sinar. Ze waren de perfecte bliksemafleider voor iemand die zich maar moeilijk raad weet bij sociale gelegenheden. Nog altijd praat ik op feestjes het liefst met het huisdier. Ik was dol op Hitam en Sinar en hun lange, pluizige oren.

Voor mijn oom Boy waren ze zijn troost, toen eerst zijn zusje en later ook zijn moeder overleed en hij alleen achterbleef in het grote huis. Het huis dat leger werd toen ook Hitam en Sinar niet verder konden. Ik weet niet meer wie het eerst ging, maar onafscheidelijk als ze altijd waren zat er weinig tijd tussen. Oom Boy, nu helemaal alleen, adopteerde de hond van een vriend uit Amerika, Tracy. Amper geland op Schiphol was Tracy al omgedoopt tot Trassie, hoe kon het ook anders.

De laatste keer dat ik het grote huis zag, is twintig jaar geleden. Toen ook oom Boy er niet meer was, was er geen aanleiding meer het grote huis te bezoeken. De familie heb ik sindsdien slechts een enkele keer gezien, elke keer een treurige aanleiding.

In IJmuiden, waar mijn oma woonde, speelde ik met een andere Hitam en Sinar. Twee hondjes, zwart en wit. Alleen waren deze twee een stuk kleiner. Ook hadden ze twee magneten; een in hun neus, en een in hun kont. Ze stonden bij mijn oma in de vensterbank. Met de neuzen tegen elkaar, of met de billen. Elke andere combinatie zorgde ervoor dat een van de twee zich omdraaide. Je kon de een niet aan de kont van de ander laten snuffelen. Ook met de kleine Hitam en Sinar heb ik vele uren doorgebracht.

De laatste keer dat ik in IJmuiden was, nu ruim een jaar geleden, was mijn oma er niet meer. In haar huis alleen nog de spullen die zij in de loop der jaren om zich heen verzameld had. Het meeste in dozen en kratten, klaar om opgehaald te worden door de kringloopwinkel. Op een tafeltje stonden ze, Hitam en Sinar. Te klein om in de dozen en kratten te stoppen. Onopvallend, vergeten.

Ik heb Hitam en Sinar in m’n zak gestopt en daarna een plek gegeven in mijn eigen woonkamer. Elke dag nemen ze me even mee terug in de tijd. Terug naar mijn oma. Ik hoor haar stem, ik ruik de geuren van haar huis. Maar ook terug naar het grote huis. De geuren, de geluiden. Naar omaatje, oom Boy, tante Dolly. En naar de rest van de familie die ik nu nauwelijks nog ken. Hitam en Sinar staan tegenwoordig altijd met de neuzen naar elkaar, liefkozend. Een laatste overblijfsel uit een tijd die me dierbaar is.

*Nadat m’n moeder dit las verbeterde ze een paar puntjes, vooral over het grote huis en wie er als eerste woonde. Dat bleek tante Dolly. Maar goed, het verhaal gaat uiteindelijk om de hondjes.


In maart verscheen mijn verhalenbundel ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’. Die bestel je o.a. hier.