Archief van
Maand: maart 2017

Buitengesloten

Buitengesloten

Ik schrok van de deurbel.

Goed, nu schrik ik altijd wel een beetje van de deurbel, maar van deze nog iets meer. Het was namelijk de bel van m’n voordeur, en niet die van het gesloten portiek. Ik heb een klein raam in die voordeur, met luxaflex ervoor (die verkopen ze ook in heel kleine maatjes). Daar tuurde ik doorheen, maar ik zag niemand. Ik dacht dat het M. was die een grap uithaalde en stiekem om de hoek was gaan staan. Daar trapte ik mooi niet in, dus bleef ik stiekem staan gluren om de deur met een ruk open te maken zodra hij het nog een keer probeerde.

Big mistake.

Zodra ik weer een paar sneakers in beeld had (ik had echt heel slecht zicht) trok ik met een ruk de deur open. ‘Ha!’ zei ik. ‘Oei,’ zei m’n geschrokken bovenbuurman. Hij is nieuw, ik ken ‘m niet. Ik heb ‘m weleens gezien, maar ik dacht eigenlijk dat hij gewoon de bezoekende vader was van de jongen waar ik me kort geleden aan had voorgesteld.

M’n nieuwe buurman spreekt moeizaam Nederlands, ik denk dat ik het erger maakte door hem te laten schrikken. En hij was al een beetje overstuur. Dat zag ik niet, dat zie ik nooit, maar hij vertelde dat hij zichzelf had buitengesloten zonder telefoon, dus dat maak ik er gewoon uit op. Daarna stamelde hij nog iets zonder echt woorden te gebruiken en hopte wat heen en weer. Ik hoopte dat hij niet binnen wilde wachten op iemand, want ik moest werken en ik zat dus met die kaak en oké, ik hou niet zo van mensen. En het was nogal rommelig in huis ook.

Ik heb nog een buurvrouw die zichzelf ook altijd buitensluit. Van haar heb ik geleerd dat onze voordeuren nogal makkelijk te openen zijn met een pasje, de reden dat ik tegenwoordig nooit meer de deur uitga zonder het slot driedubbel om te draaien. ‘Ik weet wel een manier,’ mompelde ik moeizaam (die kaak!) tegen m’n buurman en pakte een pasje en sleutels (ik wel). Gaan we doen, dacht ik, hoewel ik zelf nog nooit een deur met een pasje had geopend.

Helaas, hij bleek nou net de enige in dit hele blok te zijn met zo’n anti-inbraakstrip. Hij keek beteuterd, ik ook. ‘Misschien kan ik vanaf jouw balkon klimmen,’ zei hij. We keken allebei naar de balkons, toen naar elkaar en het was duidelijk dat hij er meer vertrouwen in had dan ik. Wanhoop, denk ik. ‘Gaat misschien lukken,’ zei hij. ‘Gaat niet lukken,’ zei ik. En: ‘Ik heb ook liever niet dat u van mijn balkon valt.’ Misschien had dat minder lullig geklonken als ik “het balkon” had gezegd.

‘Misschien kan het via het dak,’ zei mijn buurman. We keken allebei omhoog. Hij woont op de bovenste van de drie woonlagen. ‘Ik denk het wel,’ zei ik, hoopvol. M’n kaak deed zeer, ik wilde naar binnen. Hij belde aan bij zijn buurman. Niemand. Ik probeerde te bedenken wie we konden bellen om die deur open te krijgen. ‘Misschien het andere portiek,’ zei m’n buurman enthousiast en ging vlot de trap. Hij zag het voor zich en ging ervoor, ik waardeerde dat.

De buurman had zichzelf buitengesloten toen hij bij de voordeur z’n afval aan het scheiden was. Laatst zag ik hem in het plantsoentje voor de deur zwerfvuil oprapen en in de prullenbak gooien. De buurman is een goeie vent, het ligt aan mij.

Beneden hoorde ik de portiekdeur dichtvallen. Daar heeft hij ook geen sleutel van, bedacht ik me. Even bleef ik op de overloop staan, was het de bedoeling dat ik achter hem aanging? Voor het geval dat. Ik ging naar binnen. Daar ruimde ik wat rotzooi op, voor het geval dat.


Meer lezen? Dat kan. Hier schrijf ik zeer onregelmatig, maar ik heb toevallig nét een boek uit.

Gedrocht

Gedrocht

Ik ben misvormd, mismaakt, malheureus. Ik ben Vincent uit Beauty & The Beast, ik ben the elephant man. Ik ben afgrijselijk, afzichtelijk, afstotelijk, ik ben een aberratie die het daglicht niet verdraagt. En het is allemaal de schuld van de kaakchirurg.

Recente foto

Toen ik een jaar of 15 was, moesten er hoektanden getrokken worden om m’n konijnengebit weer een beetje op z’n plek te drukken. Allemaal leuk en aardig, alleen werkte de verdoving slechts aan één kant. Het gevolg: een tandarts die onverdoofd aan een tand begon te rukken, ik die mezelf letterlijk in bochten wrong om uit die stoel te komen en een assistente die het briljante plan had opgevat om juist op dat moment m’n voeten beet te pakken en diezelfde voeten vol op haar lijf gestampt kreeg. Ik zweer dat ik het niet expres deed, maar ruimte voor medelijden had en heb ik niet. Sinds die dag mijd ik de tandarts als de pest en ga op zijn hoogst eens in de vijf jaar voor een controle. Ik heb nooit iets, moet ik daar wel bij zeggen.

Tot drie weken geleden.

Ergens halverwege de jaren 90 besloot een van mijn verstandskiezen niet lekker door te komen, maar gewoon een beetje te blijven liggen. Plat op z’n kant, één treiterig wit puntje boven het roze tandvlees uitstekend. Sindsdien had ik om de zoveel tijd last van die klootzak, maar nooit genoeg.

Tot drie weken geleden.

Na twee weken wachten tot het over zou gaan en als een boer met kiespijn twee interviews afwerken belde ik toch maar de tandarts, die me gelijk doorstuurde. Ik kwam er niet meer onderuit.

Bij de kaakchirurg lag ik in de stoel te wachten, terwijl ik aan alle kanten het zweet uit m’n lijf voelde gutsen. Klamme handjes, doorweekt shirt. De assistente verdoofde me vast en na een stuk of driehonderd keer een naald in m’n tandvlees te hebben geboord, prikte ze met een haakje om te testen of ik wel echt verdoofd was. Nee, verdomme, blijkbaar heeft dat spul bijzonder weinig vat op mij. Er moest een dubbele dosis aan te pas komen. Wachtend op de chirurg probeerde ze een praatje met me aan te knopen, omdat ze doorhad dat ik nogal lag te beven in die stoel. Onder de stoel een plasje angstzweet. Wat ik zoal deed, vroeg ze. Ik overwoog te zeggen dat ik net een boek had geschreven, maar deed het niet. Dan zou ze het omslag van dat boek voor eeuwig associëren met die jammerende bitch die daar in haar stoel lag.

Het duurde lang. Er werd geboord, gehakt, geduwd en getrokken. M’n halve kaak ging mee. Het lukte. Ik ging naar huis en zat de hele avond met ijs tegen m’n wang gedrukt. De volgende dag was de linkerkant van m’n gezicht een wanstaltige karikatuur van wat het eens was. Dat is het nog steeds. Ik kan niet meer naar buiten. De postbode bracht een pakketje en beschaamd deed ik de deur half open. ‘Niet naar me kijken, niet naar me kijken,’ riep ik, pakte het pakket aan en gooide gauw de deur weer dicht.

Ik ben een gedrocht, een monster, een duivelskind. Ik moet verhuizen. Mijn nieuwe thuis wordt oude rioleringsbuizen en verlaten metrostelsels in een wereldstad waar niemand me kent. Ik leef op soep, vla en appelmoes en maak vieze slurpgeluiden. Het is voor iedereen beter als ik onderduik. Het komt nooit meer goed.


Om mijn reis naar de riolering te bekostigen heb ik geld nodig. Koop daarom mijn boek, ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’.

Genieten

Genieten

Dinsdag 14 maart werd ik wakker met de gedachte: vandaag ligt m’n boek in de winkel. Ik had de dag vrijgehouden, want dat leek me wel toepasselijk. ‘Je moet van die dag genieten,’ werd me door meerdere mensen verzekerd, dus dat was ik van plan. Genieten. Maanden naartoe geleefd, genieten zou ik.

’s Ochtends had ik een afspraak bij de orthodontist met M. Hij moet misschien een beugel. Ik zie niet waarom, maar mensen die er meer verstand van hebben dan ik vinden van wel, dus wie ben ik om daar tegenin te gaan. De afspraak liep uit en dus deden we alleen de controle en verplaatsten we de röntgenfoto’s naar een andere dag. Die middag mocht ik namelijk in het programma van Roelof Hemmen op BNR wat vertellen over m’n boek en ik wilde niet te laat komen. Genieten.

Onderweg naar buiten, naar de auto, liepen we eerst nog even naar het station om de hoek. Daar zit een Ako en ik had zin om m’n boek eindelijk in een winkel te zien liggen. Genieten. In de Ako keek ik op de eerste tafel, maar daar lag-ie niet. Op de tafel ernaast ook niet en op de tafel daarnaast ook niet. Voor de zekerheid liep ik overal nog een keer langs, maar hij lag nergens. ‘Hij ligt wel in andere winkels hoor,’ lachte ik naar M, maar verliet de winkel met een steen in m’n maag.

Die steen zat er later die dag nog steeds toen ik buiten de studio van Hemmen zat te wachten tot het mijn beurt was. Een boek, het enige exemplaar dat ik tot dan toe gezien had, in een tasje. Dat boek had ik de week ervoor op televisie uitgepakt, bij Omroep Flevoland. Dat kan je hier terugkijken. Ik moest lang en veel vertellen en voorlezen en het meeste ervan is op de snijtafel blijven liggen. Maar goed ook. Bij Hemmen zou het niet lang duren. Dat wist ik al, omdat Henk er een dag eerder zat. Ik vertelde over m’n boek (vanaf 1:24) en hoorde mezelf zeggen ‘ja, vanaf vandaag in de winkel’ terwijl ik nog steeds met die steen in m’n maag rondliep. Vijf minuten later stond ik weer buiten. In de parkeergarage deed het uitrijkaartje het niet.

Thuis ging ik gamen. Ondertussen checkte ik berichtjes. Vrolijke foto’s van bekenden die het boek online hadden besteld en ‘m hadden ontvangen. Tussendoor berichtjes van mensen die naar een winkel waren gegaan en te horen kregen dat ze ‘m daar niet hadden. Er kwamen nog wat stenen bij. De rest van de dag wachtte ik zonder te weten waarop. Er kwam niets meer. Die avond at ik met een beste vriend bij een pizzeria in de stad. Genieten. Hij had z’n collega aangeraden m’n boek te kopen. Ze was er speciaal voor naar de winkel gegaan, maar ze hadden ‘m niet.


Het is goedgekomen. ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’ ligt vrijwel overal in de winkel (behalve bij Bruna en Primera). Online bestellen kan ook.