Archief van
Maand: december 2016

Joost en het laatste bastion

Joost en het laatste bastion

‘Bismillah’
Mo en Rachid trekken de wollen mutsen stevig over hun hoofd. Alleen de ogen zijn nog vrij en en er is een kleine opening bij de mond om adem te kunnen halen. Of om een sigaret te roken. Maar Mo en Rachid roken niet, ook niet vanavond, nu alles staat of valt met hun geplande actie en de zenuwen door hun beider lijf gieren.

‘Verman jezelf, a sahbi,’ zegt Mo. Hij slaat zijn partner stevig tegen de zijkant van zijn schouder. ‘Blijf kalm, doe gewoon precies hoe we het hebben voorbereid.’ Rachid knikt. Onzichtbaar onder de wollen muts staat het zweet op zijn voorhoofd en bovenlip. Hij voelt de druppels in zijn snor. Hij rilt een beetje en vraagt zich af of Mo het ziet. Het is de eerste keer dat hij is gekozen voor een missie en het is meteen een belangrijke. Het slotakkoord van een langdurige, zorgvuldig uitgevoerde actie. Mo is door de leiders al vaker uitgekozen, hij niet. Hij wil alles goed doen. Voor hen, voor de broeders, maar vooral voor Het Plan.

Ze staan met hun rug tegen de muur van een elektriciteitshuisje. Mo op de hoek, Rachid er pal naast. Mo tuurt om de hoek, het donker in. Daar, dat vrijstaande huis met het groene tuinhekje. Als de inlichtingen kloppen, is dat het laatste doelwit. Mo drukt een knopje op zijn Casio horloge in. Het schermpje licht blauw op. Het is nu precies anderhalf uur geleden dat het licht achter het slaapkamerraam uit ging. ‘Dit moet genoeg zijn, inshallah.’ Rachid knikt, hij wil niks zeggen omdat hij bang is dat hij door zijn zenuwen te hard praat en zijn stem door de stille straat zal galmen. Of nog erger, dat Mo merkt hoe nerveus hij is.

Mo gaat voor. Op een halve draf gaat hij de straat in, zijn rug gebogen, zijn nek ingetrokken. Hij blijft dicht bij de heg langs de stoep. Rachid volgt hem op de voet. Als ze bij het hek zijn aangekomen kijken ze nog eens goed rond, maar om hen heen is het het nog altijd leeg en stil. Dan springen ze over het hek en landen geruisloos in het gras. Ze weten precies waar ze moeten lopen om uit het zicht van de lichtsensor bij de voordeur te blijven. In het pikkedonker bereiken ze een klein raampje, het toilet. Het staat altijd open, stond in het dossier. Het klopt. Het is maar een klein raam, te klein voor het ronde lijf van Mo, maar Rachid past er met zijn kleine, magere lijf net doorheen. Mo doet zijn rugtas af, haalt er een schroevendraaier uit en heeft in een mum van tijd het raam losgeschroefd van het scharnier.

‘Jouw beurt,’ fluistert hij en gaat met zijn rug tegen de muur onder het raam staan, zijn gehandschoende vingers verstrengeld voor zijn buik. Rachid stapt op, wipt het raampje omhoog en gluurt naar binnen. Dan steekt hij zijn hoofd naar binnen, duwt zijn schouders er achteraan. Hij voelt de stortbak, pakt die voorzichtig aan beide kanten beet en trekt zichzelf zo naar binnen. Buiten houdt Mo Rachid’s voeten vast en helpt hem zo te voorkomen dat hij in één keer naar binnen kukelt. Rachid schrikt even als hij een voet op de grond zet en daarbij een toiletborstel omschopt. De plastic steelt raakt de tegelvloer en in het kleine kamertje klinkt het als een hels kabaal. Roerloos blijft hij zitten. In het huis blijft het doodstil.

Voorzichtig opent Rachid de deur en kijkt de gang in. Zijn hart bonkt inmiddels in zijn keel en als hij geen handschoenen zou dragen, zou hij op alles wat hij aanraakte klamme zweetplekken achterlaten. Hij stapt de gang in, op de witte plavuizen maken zijn zwarte Air Max schoenen geen enkel geluid. Toch loopt hij op zijn tenen. Naar de meterkast, draait het sleuteltje om, maakt de deur open en zoekt. Daar, die stekker moet het zijn, van de lichtsensor buiten. Hij pakt de stekker, maar omdat Rachid zo voorzichtig doet, wil die wil er maar amper uit. Tsjak. Los. De wollen muts moet inmiddels doorweekt zijn van het zweet. Het voelt als een ijskoude lap op het voorhoofd van Rachid. We zijn er bijna, zegt hij in zichzelf en haalt de voordeur van het slot en maakt die open. Voorzichtig zet hij een voet buiten de deur. Het licht springt niet aan. Rachid reikt wat naar voren en zwaait. Uit de schaduw komt Mo aangesneld. Als hij voor Rachid staat tikt Mo met zijn vlakke rechterhand even op zijn hart. Goed gedaan, broeder.

Met z’n tweeën sluipen ze de gang weer in. Aan het einde van de gang, bij het trapgat, blijven ze even staan. Ze luisteren. Er is niets dan doodse stilte. Iedereen in huis slaapt, dat kan niet anders. Nu doorzetten. Mo opent de deur naar de woonkamer, het glas in de deur rinkelt een beetje als hij de deurklink naar beneden drukt. Rachid zou het liefst omdraaien en wegrennen, maar dan zou hij de rest van zijn leven moeten onderduiken. Niets mag immers Het Plan in de weg staan en voor verraders is geen genade. En hij wil Het Plan ook uitvoeren, hij wil het echt.

In een hoek van de kamer zien ze hem staan. In het flauwe schijnsel van de maan werpt de boom een wazig silhouet op de muur. ‘Astaghfirullah,’ mompelt Mo. Rachid knarst met zijn tanden. Allebei voelen ze diepe haat opborrelen, maar dit is niet het moment. Ze stappen op de boom af, bukken en pakken die ieder aan een kant onder bij de stronk vast. Rechtop houden, dat maakt het minste geluid. Rustig lopen, niets laten vallen. Het loopt ongemakkelijk, zo diep voorovergebogen dat de onderkant van de boom slechts een centimeter boven de grond getild wordt. Zo lopen ze naar de voordeur. De boom is niet heel hoog, maar wel net wat te breed. Als Mo en Rachid de tuin instappen, buigen de onderste takken om tegen de deurpost. Dun glas spat uiteen op de plavuizen en op de tegels voor de voordeur. Alle lichten blijven uit, niemand wordt wakker. Eenmaal buiten rechten Mo en Rachid hun rug wat het lopen vergemakkelijkt. Zodra ze weer over het hek gestapt zijn zetten ze het op een lopen. De straat uit, voorbij het elektriciteitshuisje, naar het lege veldje waar hun pick-up staat. Ze smijten de boom achterin, het gerinkel van het glas deert hen hier niet meer. De mannen trekken de mutsen af en deppen breed lachend hun voorhoofd. ‘Dit was ‘m, broer, de allerlaatste,’ glundert Mo. ‘Allahu akbar,’ zegt Rachid alleen maar. ‘Allahu akbar,’ herhaalt Mo.

Badend in het zweet komt Joost recht overeind. Zijn laken en hoofdkussen zijn doordrenkt van het zweet. Zijn hart gaat als een gek tekeer en zijn adem schokt. Verdwaasd kijkt hij in het rond. Hij is gewoon thuis, in zijn slaapkamer. Het is nog vroeg in de ochtend, maar achter het gordijn komen de eerste zonnestralen de kamer al in. Joost zwaait zijn benen over de rand van het bed en steekt zijn voeten in zijn slippers. In zijn onderbroek loopt hij de kamer uit, de trap af, de woonkamer in. Hij staat er nog. Zijn boom staat er nog. Hij bukt voorover om een stekker van de vloer te pakken. Zijn rug kraakt, de jaren beginnen te tellen. Hij drukt de stekker in het verlengsnoer en de lampjes lichten op. De boom is bruin en kaal, maar de lampjes branden nog altijd even fel en van de zilveren slingers is geen glinstering verloren gegaan.

Op zijn slippers schuifelt Joost naar het raam. Hij hoest een paar keer, een stevige brok slijm die al dagen vast lijkt te zitten in  zijn keel. Bij het raam steekt hij zijn duim en wijsvinger tussen twee lagen van de luxaflex. Het aluminium knakt als hij ze uit elkaar trekt. Hij gluurt naar buiten. Het is eind juli en Joost voelt zelfs op dit vroege tijdstip de hitte aan de andere kant van het raam die in de loop van de dag alleen nog maar erger zal worden. Joost tuurt van links naar rechts en weer terug. Er is niemand buiten. Hij hoest weer en laat de luxaflex los. Dan laat hij zich in een fauteuil zakken en krabt wat aan zijn buik. Hij kijkt naar de lampjes in de boom. ‘Ze krijgen m’n Kerst niet,’ zegt hij half mompelend. ‘Nooit.’

 


Volgend jaar komt mijn verhalenbundel uit. Het heet ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’ en ligt vanaf 14 maart in de winkel. Koop het gerust! Ik heb er zelf ook een.

2016

2016

In januari overleed m’n oma, de enige die ik nog had. Veel slechter had het jaar niet kunnen beginnen. Ik mis haar nog steeds.

En als afsluiter van het jaar had ik ook wel wat leukers kunnen bedenken dan dat auto-ongeluk, maar soit, iedereen is er zonder kleerscheuren vanaf gekomen. En ik heb een keer soit kunnen schrijven in een stukje.

De rest van 2016 was eigenlijk best wel een goed jaar. Voor mij dan, voor de rest van de wereld was het uitermate ruk. Verwoestende oorlogen met ontelbare slachtoffers als gevolg, de een na de andere geliefde celebrity die ging hemelen, Donald Trump die straks president van Amerika mag spelen en Patty Brard en Roy Donders die samen een kerstnummer opnemen. Genoeg redenen om eens aan alcoholisme te beginnen, zou je zeggen.

Chillen, ouwe

Maar voor mij dus niet. En dat mocht ook wel eens een keer, al zeg ik het zelf. M’n contract bij de beste omroep van Nederland werd maar weer eens verlengd. Ik kon m’n zoon op zijn verjaardag verrassen met een lang weekend Parijs om zo samen met hem de misschien wel mooiste stad ter wereld te herontdekken. Kort daarop zaten we een paar weken op het prachtige Gozo geen klap uit te voeren. Lekker!

Hier teken ik m’n contract. Kijk mij en redacteur Hans eens shinen dan

Het allermooiste kwam misschien wel vlak na die vakantie: ik tekende een contract bij Kosmos en in maart van 2017 komt m’n boek uit. Het is een bundel met geschiedenisverhalen en heet ‘De man die zichzelf in Auschwitz liet opsluiten’. Er is ook al een omslag, maar dat laat ik pas zien als het definitief is (hij is mooi!). En het wordt een koopje, dus je hoeft er ook niet voor te sparen of zo. Gewoon een keer die frikandel speciaal laten staan en in plaats daarvan m’n boek kopen.

En A Tribe Called Quest dropte een nieuw album, wat misschien wel het beste album van het millennium is (maar in elk geval van dit jaar). Dat is verder niet echt een persoonlijk hoogtepunt, maar ik vind dat je elke gelegenheid moet aangrijpen om te vertellen hoe goed dat album is.

Als afsluiting volgt hier een gedicht:

2016 was oké
(olé, olé)
Ik ga een oudjaarslot kopen
Misschien wel twee

Discobowlen

Discobowlen

Wat het nog eens extra vervelend maakt, is dat ik daar helemaal niet hoorde te rijden. Niet daar en niet op dat tijdstip. Ik reed per ongeluk de afslag naar de ring voorbij, waarna ik besloot niet te keren, maar gewoon binnendoor te rijden. De rit duurt even lang en omdat ik m’n ruiten eerst had moeten ontdooien, waren we ook al bijna tien minuten later vertrokken dan gepland.

Het is donker, maar helder. Het regent een beetje, maar het was niet glad. Naast me zit hij druk te appen met de vrienden met wie hij straks de hele avond op een verjaardagsfeestje zal zijn. Discobowlen. Tussendoor hebben we het over het boek dat bijna verschijnt en dat als genoeg mensen het kopen, we misschien wel een iets nieuwere auto kunnen halen dan het o zo betrouwbare, maar niet al te charmante oude karretje waarin we rijden. ‘Nee, geen BMW.’

Het moment daarop gaat in slow motion, precies zoals in de verhalen die je hoort, maar die me altijd wat overdreven leken.

Ik had haar wel gezien. Ze reed rustig op tot aan de haaientanden, niets aan de hand. Maar vlak voor we er voorbij waren steekt ze ineens de weg over. Ik gooi het stuur om en stamp vol op de rem, terwijl ik mijn rechterarm voor hem gooi als een soort extra gordel. Ondanks een enorm arsenaal aan scheldwoorden, smijt ik er in dat ene moment alleen een hard ‘Nee!’ uit. Toch nog een dun laagje beschaving.

Eerst is er de klap die minder luid is dan je zou denken, meer als iemand die een autoportier gewoon veel te hard dicht gooit. Tegelijkertijd ook het geknisper van glas dat in kleine stukjes uit elkaar spat. Voor me zie ik de motorkap van mijn auto losschieten en opkrullen. Aan de andere kant van die motorkap zie ik haar. Als in: ik zie lange haren rondzwiepen op een hoofd en een lijf dat opzij wordt geknald. De auto die ik raak draaide 180 graden en belandt voorbij de middenberm op de andere rijbaan.

Daarna is het stil.

Ik vraag of hij in orde was en hij bevestigt, haast alsof er eigenlijk niets gebeurd is en ik een stomme vraag stel. Ik controleer zijn gezicht, z’n benen. Alles lijkt inderdaad in orde te zijn. Dan pas viel me de geur op. In de auto, indringend, bekend, maar mijn hersenen kunnen op dat moment niet bepalen of het olie is of benzine. Aan de voorkant stijgt dunne rook op vanonder de misvormde motorkap.

Zo snel mogelijk uitstappen. Hem uit die auto halen. Dat blijkt nog lastig, want het portier aan de bestuurderskant gaat nauwelijks nog open. Lichtelijk in paniek weet ik ‘m ver genoeg open te beuken om mezelf er tussenuit te wurmen. Onderweg naar de andere kant van de auto hoor ik haar naar me roepen. ‘Sorry, ik zag je niet’. ‘Flikker op,’ bijt ik terug. Een kutopmerking, maar ik had even andere dingen aan m’n hoofd. Weg laagje beschaving. Zijn portier gaat wel open, dus ik trek hem eruit en plant hem veilig in de middenberm, waar hij rustig doorgaat met appen.

Eerst bel ik m’n moeder die niet te ver weg woont. Zodra ze opneemt zeg ik dat ik een auto-ongeluk heb gehad, waar ik sta en dat ze hem moet komen halen omdat hij naar een verjaardagsfeestje moet. Daarna bel ik de politie, want volgens mij heeft nog niemand dat gedaan.

Dan valt me de chaos op de weg pas op. Aan de kant waar haar auto nu staat valt het mee. Er is daar één auto gestopt en de bestuurder is uitgestapt. Achter mijn auto is het een stuk drukker. De man die achter mij reed heeft zijn busje in de berm gezet en staat het verkeer te regelen. Mensen zijn geïrriteerd zie ik als ze voorbij rijden. Wie heeft er dan ook het gore lef om een ongeluk te krijgen. Ik voel me een beetje schuldig. Vanwege de opstopping, maar meer nog wanneer ik haar nog eens goed bekijk. Ze is nog heel jong, tranen lopen over haar wangen. ‘Ik deed het niet expres,’ zegt ze. ‘Weet ik,’ antwoord ik. Allebei kijken we naar wat er over is van onze auto’s. Om ons heen rijdt het verkeer door.

(Bovenstaande foto heb ik gejat van HV-Almere. Als je goed kijkt zie je mijn kapotte auto staan. Als jullie na 14 maart allemaal mijn boek aanschaffen, kan ik een nieuwe auto kopen.)