Archief van
Maand: november 2016

Acht jaar samen

Acht jaar samen

Precies acht jaar geleden reed ik naar Drenthe. De weg die ik zo vaak had afgelegd dat ik ‘m met m’n ogen dicht kon rijden. De A6 naar Lelystad, daar afbuigen naar Harderwijk, de A28 tot voorbij Zwolle, dan de A37 naar Emmen. ’s Avonds laat of ’s ochtends vroeg in het weekend kon je vanaf Zwolle flink gas geven. Het is normaliter bijna twee uur rijden, maar m’n record staat op vijf kwartier. Precies acht jaar geleden had ik geen haast. Het was vrijdagochtend en ik was sowieso wat vroeg en ik zou deze weg voorlopig niet meer hoeven rijden.

Op de achterbank een grote plastic bak tot aan de nok gevuld met kartonnen verhuiswagentjes. De avond ervoor met een vriendin in elkaar gevouwen. Ik was blij dat ze me was komen helpen, want toen ik ze bestelde ging ik er vanuit dat ze kant en klaar werden geleverd. Dat ik ze alleen nog hoefde te vullen met een speeltje en wat snoep, niet dat ik ze ook nog moest uitknippen, vouwen en lijmen. Tweeëndertig stuks.

Een paar uur later legde ik de weg in tegengestelde richting weer af. De kofferbak gevuld met twee koffers en wat speelgoed. De plastic bak had ik achtergelaten, op die plek zat hij nu. Via de achteruitkijkspiegel zocht ik steeds z’n ogen en iedere keer dat ik ze vond schaterde hij het uit. ‘Nu woon ik echt bij jou, hè?’ vroeg hij. Ik antwoordde bevestigend. Daarna stopte ik op de parkeerplaats van het eerste de beste benzinestation om hem nog maar eens heel stevig vast te houden.

Hij woonde altijd al bij mij. Maar waar het eerst alleen in de weekeindes en vakanties was, zou hij er nu elke dag zijn. Een jarenlange strijd was voorbij. Ik had er m’n baan voor opgegeven, maar dat was het meer dan waard. Of nou ja, opgegeven, ingeruild voor iets anders. Dichterbij huis. Zodat ik hem elke dag in zijn nieuwe klas kon afzetten en elke dag zo snel mogelijk weer ophalen. Die haastig gekozen nieuwe baan moest ik kort erop weer inruilen. Van een redelijk salaris, naar wat minder, naar weer wat minder. Van een mooie auto, naar een klein autootje, naar geen auto. Maar dat maakte niks uit. Ik bleef bij hem in de buurt.

Die eerste schooldag waarop hij midden in de sinterklaasvieringen was ingestroomd en het gebouw zingend uitkwam met een vilten schoorsteen op z’n hoofd. De zwemlessen, week in week uit, waar maar geen einde aan leek te komen. De blijdschap bij het toch maar halen van het diploma (en daarna nog een). De eerste voetbaltraining, de eerste wedstrijd. De trainingen waarbij de ijsbloemen op m’n oogbollen stonden, de wedstrijden waarbij ik in de stromende regen m’n best deed toch nog te juichen voor weer een pak slaag. Ik week twee weken niet van zijn zijde toen hij in het ziekenhuis belandde en het er allemaal slecht uitzag. Maar hij krabbelde weer op en werd sterker en sterker. Groter en groter.

De afgelopen jaren zijn voorbij gevlogen. Van een kleuter die nog druk was z’n naam te leren schrijven, tot een puber met praatjes. We spelen nog steeds elke dag samen. Alleen hebben we de bakken LEGO en Playmobil en de speeltuin in het park ingeruild voor de Playstation en FIFA. Hij wint tegenwoordig zelfs zo nu en dan zonder dat ik ‘m láát winnen. En we kijken samen films en series, we hebben nagenoeg dezelfde smaak. En als niemand kijkt vergeet hij soms dat hij al zo groot is en pakt dan toch gewoon ouderwets m’n hand.
We praten over wat hij wil studeren en wat hij later wil worden. Eerst was het ‘iets met games en robots’, nu is het rechten. En hij wil naar Amerika verhuizen. ‘Maar dan moet je wel mee.’

Het was niet altijd makkelijk, in m’n eentje. Maar de momenten dat het allemaal net even wat minder ging, was hij er altijd om me eraan te herinneren waarom ik het doe en om me te motiveren toch vooral door te zetten. Precies acht jaar geleden nam m’n leven een compleet andere wending, maar ik had het voor geen goud willen missen.

 

Twijfel

Twijfel

Terwijl de redacteur zich buigt over de tienduizenden woorden die ik hem heb gestuurd, is bij mij het Grote Twijfelen toegeslagen. Had ik dit allemaal niet veel beter kunnen vertellen? Leuker? Mooier op kunnen schrijven? En heb ik eigenlijk wel alles verteld had ik had willen vertellen? Moeten vertellen? En maak ik mezelf er niet te makkelijk vanaf door straks juist met dít boek op de proppen te komen? Ik bedoel, ik wilde verdorie toch schrijver zijn, moet ik dan niet ten minste met een roman debuteren in plaats van een verhalenbundel die, ok, heus wel leuk is, maar misschien ook niet.

Ik bedoel, Reve debuteerde met de fucking Avonden. Niet dat ik mezelf graag wil spiegelen aan Eén van De Grote Drie, maar aan de andere kant: je moet die lat toch érgens neerleggen, waarom dan niet gewoon lekker hoog. Heb je er ook geen last van als je besluit om er maar gewoon onderdoor te wandelen. Moet je alleen niet steeds omhoog blijven kijken.

Het is ook allemaal een beetje de schuld van het verhaal dat mijn debuut had moeten worden. Het boek-dat-geen-boek-wilde-worden. Een nogal lijvig werk dat na enkel jaren(!) van schrijven, schrappen, herschrijven en weer opnieuw beginnen gewoon geen reet aan was, waarna ik het in de prullenbak flikkerde.

Daarop volgde een periode die niet bijzonder zonnig was. Niet per se door dat mislukte schrijfwerk, maar het hielp ook niet. In die periode schreef ik niks. Voor mezelf dan, voor klanten wist ik er met pijn en moeite nog wel wat uit te persen. Niet m’n beste werk. De lol was er compleet vanaf, ik had mezelf kapot getwijfeld op dat gebied.

Die lol kwam pas weer terug toen ik een begin maakte met de verhalen die nu uiteindelijk een boek hebben gevormd. Een boek dat straks daadwerkelijk in de winkel ligt. Dat vooruitzicht is er een om van te gaan jubelen en tegelijkertijd om ergens weg te kruipen, want wat als. Wat als helemaal niemand dat ding wil hebben. Dan kan ik twee dingen doen: vooral doorrrrgaan, of net als Alco van Puffelen eropuit trekken en aan een compleet nieuwe missie beginnen.

‘Wie?’

vlaanderen-200x300Dat moet ik misschien even uitleggen. Alco van Puffelen liet alles vallen en trok met zijn rolkoffertje naar België om daar een complete nieuwe betekenis aan zijn leven te geven. Om een reden te vinden opnieuw trots op zichzelf te zijn. Hoe? Door Nederland en Vlaanderen weer te herenigen. Dat alles met een dosis zelfvertrouwen om u tegen te zeggen (en een Congolees met dwerggroei genaamd Stan). En o ja, Alco van Puffelen is de hoofdpersoon in De verovering van Vlaanderen, de nieuwste roman van Stefan Popa.

God, wat zou ik graag schrijven als Stefan Popa, zodat ik zou weten dat het allemaal wel goed zit. Je moet De Verovering van Vlaanderen lezen, dat is het allerleukste boek van dit jaar.

Trouwens,  vergeet maar wat ik in de eerste alinea’s schreef. Je moet mijn boek ook kopen, want dat is het leukste boek van vólgend jaar (ik vertel je er binnenkort meer over). Koop er maar gelijk een aantal. Voor jezelf, voor vrienden en familie en geef er een aan een vreemde op straat. Zo leer je nog eens iemand kennen. En het is goed voor mijn zelfvertrouwen en dat is ook wat waard, toch? Toch?

Ik las twee boeken (en schreef er een)

Ik las twee boeken (en schreef er een)

Hoeveel ik lees hangt doorgaans af van hoeveel ik te doen heb. Heb ik weinig te doen, lees ik ook weinig. Dan lig ik zonder schuldgevoel op de bank en probeer ik Netflix uit te spelen. Tussendoor blader ik kranten door en benut ik m’n digitale abonnement op The New Yorker (zeggen dat je een abonnement op The New Yorker hebt, is als voortdurend ongevraagd zeggen dat je geen tv hebt. Of aan crossfit doet). Ongelezen boeken blijven ongelezen op de groeiende stapel liggen.

In drukke periodes neig ik naar uitstelgedrag en probeer ik nog steeds zoveel mogelijk te lummelen, maar wanneer ik dan boeken lees in plaats van series binge, heb ik in elk geval het gevoel dat ik op een verantwoorde manier niks doe. De afgelopen week had ik het ontiegelijk druk* en dus las ik twee boeken: Signifying Rappers van David Foster Wallace & Mark Costello en Wij slaven van Suriname van Anton de Kom. Twee boeken die ik al heel lang in de kast heb staan, maar nog niet eerder las.

Ik begon met Signifying Rappers. ‘Brilliantly written, intellectually wired, in-your-face energy’, staat op de voorkant te lezen. Op de achterflap:

A paean to the golden age of hip hop and the first book to consider seriously its position as a vital force in American culture, $IGNIFYING RAPPER$ is a must-read for fans both of Wallace and of hip hop.

Ik kan niet bepaald zeggen fan te zijn van David Foster Wallace, aangezien ik nooit eerder iets van hem las. Infinite Jest staat al heel lang op een verlanglijstje, maar het is er nog nooit van gekomen. Een fan van Hiphop ben ik wel (‘Eén woord, hoofdletter H’ – KRS One). Ik behoorde dus voor minimaal 50 procent tot de doelgroep en had er zin in. Ik googelde ‘paean‘ (lofzang) en begon. Het viel vrijwel direct tegen.

Het boek belooft – wederom op de achterflap – ‘de bipolariteiten(?) van rap en pop in kaart te brengen, rebellie en acceptatie, glitter en gangsterdom’. Daar heb ik denk ik allemaal overheen gelezen. Kan natuurlijk. Wat ik wel las, was het verhaal van twee preppy white boys die tegen alle verwachtingen in ontzettend van Hiphop blijken te houden en zich willen onderdompelen in wat volgens hen de cultuur is. Het gevolg is niet zozeer een mooi verhaal over de begindagen van de Hiphop (waar ik op gehoopt had), maar meer een soort antropologisch verslag van de rapper-in-zijn-natuurlijke-habitat (in dit geval Boston). Als je heel goed luistert hoor je zo nu en dan een voice-over van David Attenborough.

Het is mooi geschreven hoor, dat wel. Meestal, tenminste. Er is gewoon geen zak aan. Na ongeveer een derde gelezen te hebben, waarin ik al een paar keer gestruikeld was over personen die werden opgevoerd zonder dat ik precies wist waarom, merkte ik dat ik meer aan het scannen was dan echt aan het lezen. Scannen op namen van Hiphop-legendes om er dan steeds weer achter te komen dat het boek daar helemaal niet over gaat. Uiteindelijk is het ook niet zo gek. Signifying Rappers was nooit bedoeld als een boek, het is bovenal een schrijfoefening van twee jongemannen die tijd doodden voor ze aan een vervolgstudie aan Harvard begonnen. Als David Foster Wallace daarna niet alsnog een grote naam in de literatuur zou zijn geworden, waren deze pagina’s op een stoffige zolderkamer blijven liggen. Op ongeveer driekwart van het boek hield ik ermee op.

Op GoodReads gaf ik het twee sterren, maar dat gaf ik ook aan klassiekers als Il Decameron van Giovanni Boccaccio en In Cold Blood van Truman Capote. Het kan dus best aan mij liggen.

En dan dat tweede boek

schermafbeelding-2016-11-10-om-19-35-41Wij slaven van Suriname van Anton de Kom is een boek uit 1934. Zo lang ligt het nog niet in mijn boekenkast, maar het scheelt weinig. Toch las ik dit boek over de geschiedenis van mijn eigen voorouders niet eerder. Ik sloeg het wel eens open, liet m’n ogen dan over een paar passages vol gruwelijkheden glijden en legde het dan toch weer weg.

Een voorbeeld van zo’n passage is deze:

Claas Badouw, directeur van de plantage La Rencontre, beschuldigde zijn slaaf Pierro ten onrechte een poging gedaan te hebben hem te vergiftigen. Pierro werd in het kookhuis gebracht, waar men hem de tien vingers en de tien tenen afhakte met een scherpe beitel. Vervolgens dwong men hem deze op te eten. Badouw nam daarop zelf een mes en sneed een oor van de slaaf af, dat hij eveneens op moest eten. Toen sneed de blanke gentleman met een scheermes Pierro’s tong af en gelastte hem deze in te slikken. Stervende van de pijn stamelde Pierro met het stompje van zijn tong enkele klanken. Badouw geraakte hierdoor in een zodanige woede, dat hij met een nijptang ook het overige stuk van zijn tong uitrukte.

Een aantal jaar geleden studeerde ik aan de Pabo. In mijn eerste (en ook enige) jaar liep ik stage in een groep 7 en 8 en moest ik voor een studieopdracht een geschiedenisles verzorgen. Ik koos voor een les over slavernij in Suriname en het Caribisch gebied, omdat – gek genoeg – die periode slechts in een summiere paragraaf in een hoofdstuk over de Gouden Eeuw werd behandeld. Aan het eind van de les was de halve klas in tranen uitgebarsten. Dat was nou ook weer niet de bedoeling. En dan was ik nog niet eens zo eerlijk als Anton de Kom is in zijn boek. Mijn les was een stuk milder, een beetje zoals de verfilming van Hoe duur was de suiker.

Het boek riep me. ‘Nieuwsgierigheid is het plotselinge bewust zijn van een tekort aan kennis.’ Dat las ik ooit in Vrij Nederland, maar ik weet niet meer wie het opschreef. Ik had twee oma’s; de een geboren en getogen in Suriname, de ander in Indië. Ze zijn er allebei niet meer. Sinds hun overlijden ervaar ik een groeiend gemis aan kennis over (de geschiedenis van) zowel Suriname als Indonesië. Ik heb me er nooit écht mee bezig gehouden, alsof ik een genetisch aangeboren kennis bezat en me er daarom niet verder in hoefde te verdiepen. Of zo. Geen idee, ik lul maar wat, ik heb me er gewoon nooit erg in verdiept.

Wij slaven van Suriname vertelt over de onmenselijke manier waarop zowel slaven als indianen behandeld werden door de Nederlanders, maar dat is maar een deel van de boodschap van De Kom, zelf zoon van een ex-slaaf. Het is niet zozeer een boek over de slavernij, maar een werkelijke geschiedenis van Suriname. Een eerlijke, niet een die is ingekleurd door de witte bezetter. De Kom schreef het om Surinamers, die op school vooral de Nederlandse geschiedenis leerden, hun eigen geschiedenis terug te geven (Boni! Baron! Joli-Coeur!). Om een eigen identiteit te vormen.

Het boek verscheen trouwens toen De Kom net een jaar in Nederland was, nadat hij door de Hollanders Suriname uitgetrapt was omdat hij meer dan hen lief was voor de rechten van Surinamers opkwam. In Nederland maakte hij de crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog mee, waarin hij zich verzette tegen het fascisme en voor de ondergrondse pers schreef. Hij werd door de Duitsers opgepakt en gedeporteerd en stierf in 1945 in een concentratiekamp.

Wij slaven van Suriname zou verplicht onderdeel van het curriculum moeten zijn. Dat die gitzwarte pagina’s van de geschiedenis niet of nauwelijks op scholen wordt onderwezen heb ik nooit begrepen. ‘We are here, because you were there.’ En hoe. Maar goed, een vast onderdeel van het leerplan zal het waarschijnlijk niet worden. Dat hoeft jou er niet van te weerhouden het boek zelf te kopen en te lezen natuurlijk. Doe dan! Doe dan! (ik ga je overhoren)

Oh ja

*Nog even over waarom ik het zo ontiegelijk druk had. Ik schreef namelijk zelf ook een boek. Een bundel geschiedenisverhalen. Het verschijnt in maart bij uitgeverij Kosmos en er is zelfs al een ISBN-nummer en alles. Heel erg echt allemaal. Maar ik moest het nog wel even afronden. Dat deed ik afgelopen week.