Archief van
Maand: juni 2016

Lezen en schrijven

Lezen en schrijven

Ik leerde mezelf lezen nog voor ik naar school ging. Mijn oudere zus gaf de voorzet, mijn moeder hielp, maar daarna deed ik het meeste zelf. Gewoon door veel te lezen. Alles. Omdat ik dat graag wilde.

Toen ik in de kleuterklas zat, wat nu groep 2 is, stopte de juf met het meegeven van voor de ouders bestemde brieven in open enveloppen. Mijn klasgenootjes gaven die namelijk aan mij, zodat ik ze hen voor kon lezen. Ik kan me niet herinneren of het echt gevoelig materiaal was, maar de juf had het liever niet.

Ondertussen las ik door. In de eerste klas, of groep 3, werd ons echt geleerd te lezen. Soms zaten we in groepjes van vier, waarbij we elkaar om en om stukken uit een gekregen verhaaltje moesten voorlezen. Omdat ik geen zin had in het gehakketak van mijn klasgenootjes en zij het eigenlijk ook wel best vonden, las ik hen gewoon het hele verhaal voor. Soms deed een klasgenoot daarbij een dutje. Dat was het moment dat ik tijdens de leeslessen maar in een klas hoger mee moest doen. En daarna nog een.

Van het lezen kwam het schrijven. Wie veel en vaak leest, leert vanzelf spellen. Hoe je een zin correct formuleert. Ik maakte mijn dictees foutloos en maakte van de korte schrijfopdrachtjes halve opstellen. Ik schreef brieven naar Donald Duck, Achterwerk en Greenpeace (een vurig pleidooi voor schapenwol in plaats van zeehondenbont). Ik las veel, ik schreef veel en ik schreef goed. In hogere klassen en op de middelbare school zorgde het ervoor dat ik onvoldoendes kreeg voor werkstukken waar ik hard aan had gewerkt, omdat ik het zou hebben overgeschreven uit het boek. Dat zorgde ervoor dat ik expres knullige zinnen en makkelijke woorden ging gebruiken. Maar dat was later pas, in de lagere klassen op de basisschool had ik daar nog helemaal geen last van.

Was ik een wonderkind? Verre van. Op lezen, schrijven en gym na, blonk ik nergens echt in uit. Ik kwam gewoon goed mee. Maar lezen en schrijven? Ja, dat kon ik. En door het vele lezen kon ik behalve schrijven ook een aardig woordje meepraten met mensen die wat ouder waren dan ik. Ik snapte dingen. Of in elk geval wilde ik ze snappen, en dan ben je al een heel end.

Aan alles hierboven moest ik dit weekend denken na een brief aan Dolores Leeuwin, de verslaggever van het sinterklaasjournaal die deze week de handdoek in de ring gooide omdat de directie van de NTR halsstarrig vasthoudt aan een zwarte Piet. De brief aan Dolores werd geschreven door Felix, een zeer pientere jongen van 8 jaar oud die haar een hart onder de riem wilde steken en zelf ook de nodige ideeën aandraagt voor wijzigingen aan Zwarte Piet. Niet omdat iemand hem heeft verteld dat hij dat moet vinden, maar omdat hij zelf meekrijgt wat er allemaal gebeurt en op basis daarvan een mening heeft gevormd. Die brief lees je hier.

De brief van Felix maakte wat los, alleen… vrijwel geen enkele reactie ging over zijn boodschap, over hoe een kind nu eigenlijk aankijkt tegen eventuele wijzigingen van een kinderfeest. Negen van de tien reacties gingen over de toon, over de spelling, over de zinsconstructies. Over de gedachtegang. Over hoe een jongen van 8 onmogelijk zo’n brief kan schrijven. Over hoe hij moet zijn ingefluisterd door zijn ouders. Over hoe hij niet echt bestaat en dat de brief geschreven is door een volwassene die de zwartepietdiscussie op die manier naar zijn hand wil zetten.

De tweet hierboven is van schrijver Thomas van Aalten die ook sceptisch was en na een paar opmerkingen over en weer de reden daarvan deelde. Ik plaats zijn tweet ter illustratie en eigenlijk ook omdat het de enige is die het daglicht kan verdragen en waar ik niet direct strontchagrijnig van word. Op joop.nl, waar de brief staat, waren veel – uiteraard niet doorgelaten – reacties van een dusdanig niveau dat zelfs de moderator van de Telegraaf ze zou hebben geweigerd.

Ik weet wie Felix is. Ik weet wat hij nog meer schrijft en hoe ontzettend goed hij dat doet. Ik weet ook dat er niemand is die hem influistert, die zijn taalgebruik corrigeert. Ik weet ook dat hij echt 8 jaar oud is. Hij kan dit.

En Felix heeft een mening. Een die hij wilde delen op een platform waar veel mensen het konden lezen, misschien nieuwe inzichten konden opdoen. Gelukkig voor Felix weet hij veel, maar nog niet hoe het er op internetfora en sociale media werkelijk aan toe gaat als je een mening hebt die niet aansluit bij de schreeuwende horden. Ik hoop dat hem dat nog heel lang bespaard blijft. Ik hoop dat hij zich nog lang zal verliezen in goede boeken en het schrijven van mooie teksten. Dat hij nog lang zo nieuwsgierig blijft als hij nu is en dat gebruikt om een schat aan kennis te vergaren. Ik hoop dat hij met die schat aan kennis straks een van degenen is die het voortouw nemen en zullen zorgen dat we met z’n allen eindelijk weer eens een beetje normaal gaan doen. Hup Felix, you got this.

In 1986 was ik 8 en stuurde ik mijn oom een kaartje. Toegegeven, ik ben hier en daar een n vergeten, maar ik had Linneaushof wel bijna goed gespeld. Zonder hulp.
In 1986 was ik 8 en stuurde ik mijn oom een kaartje. Toegegeven, ik ben hier en daar een n vergeten, maar ik had Linnaeushof wel bijna goed gespeld. Zonder hulp.
Bang

Bang

Vorige week was ik voor het eerst bang.

Tenminste, voor het eerst in mijn volwassen leven. Niet dat ik zo ontzettend onverschrokken ben, maar ik kom nu eenmaal nooit in situaties waar ik ergens voor moet vrezen. Maar vorige week was ik dus bang.

Het duurde maar heel even. En het duurde daarna nog eens een week voor ik doorhad dat ik inderdaad bang was geweest.

Het zit zo. Ik ga over drie weken een weekend naar Parijs. Het is een verrassing voor mijn zoon. Hij is dan jarig en omdat hij zijn eigen feestjes altijd erg ongemakkelijk vindt, wil hij het dit jaar niet vieren. Hij wil met mij ‘iets leuks’ gaan doen. Naar een film en daarna ergens biefstuk eten bijvoorbeeld, zei hij. In plaats daarvan neem ik hem een weekend mee naar Parijs. Dat weet hij niet en ik vertel het hem ook pas op de dag van vertrek en ik ga er ook maar gewoon vanuit dat hij de website van z’n vader niet boeiend genoeg vindt om te bezoeken.

De reis was zo geboekt, het hotel duurde iets langer. Er zat ontzettend veel vol. Vooral de peperdure hotels waren nog beschikbaar en AirBnB staat me niet aan, dus ik moest een tijdje zoeken tot ik iets had gevonden dat zowel betaalbaar als (hopelijk) vrij is van gekke vlekken. De eerste paar hotels die ik zag bevonden zich allemaal in de buurt van Place de la République. Daar is natuurlijk nogal wat gebeurd, dus ik kan me goed voorstellen dat veel mensen liever even ergens anders gaan zitten. Ik vond er een leuk hotel, twee straten verwijderd van Bataclan. Ik had bijna geboekt, maar vond na nog een laatste zoekronde een veel leuker hotel op een locatie die ik eigenlijk ook veel leuker vind, net even om de hoek van het Louvre. Daar verblijven we straks.

Vorige week ontdekte ik plots waarom het dat weekend – denk ik – zo druk is in alle hotels. We gaan naar Frankrijk tijdens het EK voetbal en het weekend dat wij er zijn wordt in Parijs de achtste finale gespeeld. Een groot evenement in Parijs net wanneer wij er zijn. In het Stade de France.

Stade de France. Ik dacht direct aan de aanslagen van vorig jaar november. Aan de aanslag op Charlie Hebdo daarvoor. De meeste aanslagen waren in het 10de en 11de arrondissement. De plek waar ik bijna een hotel had geboekt. Ik was opgelucht dat ik daar niet zat, want wat als… Ik ben er niet alleen, ik ben er met m’n kind.

Ik dacht aan waar ik nu zat, hoe veilig zou dat zijn? Zou er iets kunnen gebeuren? Moest ik annuleren, een ander weekend kiezen? Moest ik het hele weekend in Parijs nu over m’n schouder blijven kijken? Op verdachte bewegingen letten? Zijn er delen van de stad waar ik misschien wel heel graag naartoe wil, maar die ik toch beter kan mijden? Op de hotelkamer blijven?

Dat doe ik allemaal niet, maar ik dacht het wel. Ik dacht het wel en ik vond het eng.

Heb ik nu de terroristen laten winnen?