Archief van
Maand: juni 2012

Naamloos

Naamloos

Stevig houdt hij haar vast. Hij weet dat hij haar elk moment zal moeten loslaten. Alles is gezegd. Zo lang mogelijk probeert hij dit moment te rekken. Zijn gezicht in haar hals, haar haren strelen zijn voorhoofd. Het maakt niet uit hoe hard hij slikt, het verlost hem niet van het brok in zijn keel. Het hart dat hij aan haar schonk slaat nu zo hard dat zijn hele lichaam er van schokt. Ze voelt het. Ze haalt diep adem en ook zij verstevigt nog eenmaal haar grip. Hij neemt alles op, probeert het te verankeren in zijn geheugen. Haar aanraking, haar geur. Zijn ogen wellen op, het is tijd. Dan laat hij los. ‘Je moet gaan’, zegt hij. Zijn stem is hees, zijn keel droog. In de deuropening draait ze nog een keer naar hem om. Hij knikt. Een kleine glimlach op zijn lippen, het is goed. Even kijkt hij haar nog na, dan is hij alleen.

Lees Meer Lees Meer

Ze noemden hem Snoop

Ze noemden hem Snoop

Ze noemden hem Snoop. Met zijn lengte van bijna twee meter torende hij wanneer hij dat zou willen boven iedereen uit, maar met een rechte rug liep hij zelden. Zijn amper zeventig kilo gaven hem evenmin een natuurlijk overwicht en zijn haar, dat plat op het hoofd gevlochten was, zat nooit langer dan een dag in model en leidde vaak tot spottende opmerkingen. Wanneer het op pesterijtjes aankwam was Snoop sowieso vaker wel dan niet het doelwit. Het is niet dat men een hekel aan hem had, integendeel, maar hij was een makkelijke prooi. Ogenschijnlijk genoeg tekortkomingen om plagerig uit te vergroten en hij liet het zich allemaal welgevallen. Hij lachte wat mee en onderging het getreiter lijdzaam tot de lol er bij de rest vanaf was of tot er iemand, meestal een meisje, medelijden kreeg en de anderen sommeerde te stoppen.

Lees Meer Lees Meer

1988: Altijd eentje meer

1988: Altijd eentje meer

In 1988 was ik tien jaar oud en wist niet veel van voetbal. Behalve dat het leuk was om te doen. De gedachte aan voetballen in competitieverband is nooit in me opgekomen, noch had mijn moeder de wens mij elke zaterdagochtend langs de lijn naar een profcarrière te schreeuwen. Dit ondanks het mogelijk aanwezige gunstige genenpakket. Ik zat op judo omdat mijn oudere zus het deed en later nog op atletiek omdat ik best wel hard kon rennen. Maar op straat voetbalde ik. Meestal met de halve straat, maar vaak ook met alleen Hans die tegenover ons woonde. Wij waren elkaars beste vriend sinds we vier jaar oud waren. Ik stond achter het keukenraam van ons nieuwe huis en hij stond aan de andere kant van het glas en stak zijn middelvinger op. We zouden daarna nog vaak samen voetballen. In 1988 voetbalden we ook. Ik was dan Gerald Vanenburg, want dat was familie. Hans was Maradona, want hij was ook Argentijns en vond dat ik maar moest geloven dat ook zij familie van elkaar waren. Dat deed ik niet. We zeiden net zo lang welles en nietes tot er iemand ‘en altijd eentje meer!’ aan toevoegde. Dan gingen we vechten. Midden op straat, want zoveel auto’s reden daar niet. Als we moe waren van het vechten gingen we weer voetballen. Of voetbalplaatjes ruilen, van Panini. Het album van 1988 heb ik nog altijd compleet in de kast liggen. 1988, het enige jaar dat we als voetbalnatie een grote prijs pakten. Maar ik iets meer dan Hans, want ik was familie van Gerald Vanenburg en dat telt altijd eentje meer.

Bananen

Bananen

Gedrieën zitten we aan de keukentafel, mijn vader, diens oudste broer en ik. Ze zijn oud geworden. Beiden geen haar meer op het hoofd die niet grijs is, de jaren zichtbaar afgetekend op hun gezicht.

Ze halen herinneringen op aan vroeger, aan Suriname. Hoewel ik alles al honderd keer heb gehoord luister ik, en ik geniet.

“Als mijn opa een tros bananen had gekapt, dan aten we een week lang banaan.”

Ze glimlachen bij de herinnering.

“Het moest op.”